ECLI:NL:PHR:1925:1

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 1925
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
2123
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing navorderingszaak belastingrecht wegens onvoldoende motivering

In deze zaak staat de vraag centraal of de Inspecteur gerechtigd was tot navordering van belasting en of hij het feit waarop de navordering is gebaseerd redelijkerwijs had kunnen kennen bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag. De belanghebbende betwistte deze bevoegdheid van de Inspecteur.

De Raad van Beroep oordeelde dat de navordering terecht was, mede omdat een balans over 1920 pas in 1922 aan de Inspecteur werd overhandigd, waardoor nader onderzoek noodzakelijk was. De Hoge Raad achtte deze motivering echter te algemeen en onvoldoende toegespitst op de specifieke omstandigheden van de zaak.

Daarnaast werd geoordeeld dat de interpretatie van de feiten door de Raad van Beroep, met betrekking tot de aard van de ontvangen bedragen door de firma, niet zodanig afweek van die van de Inspecteur dat dit tot een andere grondslag voor de navordering zou leiden.

De Hoge Raad concludeert dat de feitenwaardering aan het vrije oordeel van de Raad van Beroep is, maar dat de motivering in deze zaak onvoldoende was. Daarom wordt de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak verwezen naar de Raad van Beroep D.B.I. Rotterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de Raad van Beroep voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Edele Hoog Achtbare Heeren!
In de eerste plaats zal moeten worden onderzocht of de Inspecteur gerechtigd was tot navordering, dan wel dat deze het feit waarop de navordering is gegrond, redelijkerwijze reeds had kunnen en behooren te kennen toen hij den oorspronkelijken aanslag regelde. De belanghebbende heeft nl. die bevoegdheid van den Inspecteur in dit geval ontkend; naar aanleiding daarvan heeft de Raad van Beroep in de zesde overweging de gronden aangegeven, waarop hij van oordeel is, dat dit beroep van belanghebbende ongegrond is.
De Raad van Beroep geeft daar te kennen, dat uit een balans over 1920 eener bepaalde firma die eerst op 30 Juni 1922 overhandigd is aan den Inspecteur, niet kan blijken, dat en onder welke rechtsverhouding uit verkoop van schepen verkregen bedragen bij die firma zijn gestort en of die bedragen als winst der firma zijn te beschouwen, zoodat het oordeel van den Inspecteur eerst na dieper en meer tijd roovend onderzoek is vast te stellen dan in een geval als dit, in verband met het oog op het reeds late tijdstip voor vaststelling van een aanslag over 1921/22, voorsgands van den Inspecteur kon worden verwacht.
Zoo algemeen is het oordeel van den Raad van Beroep in die zesde overweging neergelegd, maar zoo algemeen acht ik dit oordeel niet aannemelijk. Onder bepaalde omstandigheden zal een balans als de bedoelde voldoende licht geven om den Inspecteur attent te maken op een noodzakelijk onderzoek als hier bedoeld wordt, onder andere omstandigheden zal dat niet het geval zijn. De conclusie waartoe de Raad van Beroep kwam in dit geval zou wellicht juist kunnen zijn, doch ze is m.i. voor dit geval niet voldoende gemotiveerd.
De grief, dat de Raad van Beroep de juistheid van de navordering zou hebben aangenomen op een geheel anderen grond dan waarop de Inspecteur den naderen aanslag baseerde acht ik niet gegrond. De Inspecteur heeft de navordering gebaseerd in wezen op het feit dat aan de firma [X] een belangrijk bedrag is ten goede gekomen van de in deze procedure bedoelde Naamlooze Vennootschappen. Daarop komt het aan en nu is de omstandigheid, dat de Inspecteur kenlijk van meening was, dat [X] een bedrag ontving als aandeelhoudster van die vennootschappen, terwijl de Raad van Beroep aanneemt, dat [X] dat ontving als Directie van die scheepvaartmaatschappijen, naar mij voorkomt niet eene zoodanige afwijking, dat zou moeten worden aangenomen, dat de Raad van Beroep een ander feit als grondslag aanneemt voor de navordering dan de Inspecteur.
Een enkel woord nog over het tweede middel.
Het wil mij voorkomen feitelijken grondslag te missen. Immers, hoewel minder gelukkig geformuleerd, is de bedoeling van den Raad van Beroep niet, dat nooit van geldleening sprake zou kunnen zijn als geen termijn van terugbetaling was bepaald, doch dat in dit geval de omstandigheid, dat geen termijn van terugbetaling was bepaald mede heeft gestrekt tot het vestigen van ’s Raads overtuiging, dat aan geldleening hier niet mocht worden gedacht. De waardeering van de feiten en omstandigheden waarop de Raad zijne overtuiging vestigt, is geheel aan zijn vrij inzicht overgelaten.
Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing der zaak naar den Raad van Beroep D.B.I. Rotterdam, ten einde met inachtneming van ’s Hoogen Raads arrest verder te worden behandeld en beslist.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,