ECLI:NL:PHR:1925:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing navorderingszaak belastingrecht wegens onvoldoende motivering
In deze zaak staat de vraag centraal of de Inspecteur gerechtigd was tot navordering van belasting en of hij het feit waarop de navordering is gebaseerd redelijkerwijs had kunnen kennen bij het vaststellen van de oorspronkelijke aanslag. De belanghebbende betwistte deze bevoegdheid van de Inspecteur.
De Raad van Beroep oordeelde dat de navordering terecht was, mede omdat een balans over 1920 pas in 1922 aan de Inspecteur werd overhandigd, waardoor nader onderzoek noodzakelijk was. De Hoge Raad achtte deze motivering echter te algemeen en onvoldoende toegespitst op de specifieke omstandigheden van de zaak.
Daarnaast werd geoordeeld dat de interpretatie van de feiten door de Raad van Beroep, met betrekking tot de aard van de ontvangen bedragen door de firma, niet zodanig afweek van die van de Inspecteur dat dit tot een andere grondslag voor de navordering zou leiden.
De Hoge Raad concludeert dat de feitenwaardering aan het vrije oordeel van de Raad van Beroep is, maar dat de motivering in deze zaak onvoldoende was. Daarom wordt de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak verwezen naar de Raad van Beroep D.B.I. Rotterdam voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de Raad van Beroep voor hernieuwde behandeling.