ECLI:NL:PHR:1936:2
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitlokking van overtreding door opdracht tot dragen politieke kleding in optocht
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de verdachte, als leider van een optocht van de Nederlandsche Arbeiders Sportbond, door het opdragen van het dragen van rode broeken en rokken, het opzettelijk uitlokken van een overtreding van artikel 435a Sr had begaan. De kledingstukken waren een uiting van het streven van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij.
De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een geldboete wegens misbruik van gezag en uitlokking van het dragen van deze politieke kleding in het openbaar. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de juistheid van de dagvaarding, de uitleg van het begrip misbruik van gezag en de bewijsvoering omtrent tijd en plaats van de uitlokking.
De Hoge Raad oordeelde dat de dagvaarding voldoende duidelijk was en dat het misbruik van gezag niet afhankelijk is van bijzondere omstandigheden zoals dreiging met ontslag, maar dat het geven van een last binnen de grenzen van het dienstverband en het feit dat het een strafbaar feit betreft, volstaat. De rechtbank mocht aannemen dat de verdachte door zijn gezagspositie zedelijke dwang uitoefende op de jeugdige deelnemers, waardoor de uitlokking bewezen was.
De grief dat de uitlokking niet op het juiste tijdstip en plaats was bewezen, faalde omdat de rechtbank uit de omstandigheden mocht afleiden dat de last tijdens de optocht was gegeven. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde de veroordeling.
Uitkomst: De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk uitlokken van het dragen van politieke kleding door misbruik van gezag en kreeg een geldboete van vijf gulden, te vervangen door vijf dagen hechtenis bij niet-betaling.