Conclusie
J.W. Meyerink en Co.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de aansprakelijkheid van de Staat voor schade veroorzaakt door een militair vliegtuig dat een hoogspanningsleiding stukvloog. De Hoge Raad stelt vast dat de Staat onzorgvuldig heeft gehandeld jegens de stroomafnemers, die als beschermde belangen gelden onder de wetgeving.
De conclusie benadrukt dat artikel 161 ter Pro van het Wetboek van Strafrecht een norm bevat die ook civielrechtelijke bescherming biedt aan de belangen van elektriciteitsgebruikers tegen schade door schuld. Hoewel strafrechtelijke schuld een hogere mate van onvoorzichtigheid vereist dan privaatrechtelijke schuld, is de civiele aansprakelijkheid voor schade aan elektriciteitswerken gegrond op een beschermingsnorm die ook de stroomafnemers omvat.
De Hoge Raad wijst erop dat de vlieger onzorgvuldig was omdat hij geen instructies had ontvangen om elektrische installaties te ontzien. Verder wordt de relativiteitsleer besproken, waarbij wordt vastgesteld dat meerdere beschermenswaardige belangen naast elkaar kunnen bestaan en dat de civiele aansprakelijkheid niet wordt uitgesloten door strafrechtelijke sancties.
Tot slot wordt het verweer van de Staat dat contractuele uitsluitingen van aansprakelijkheid tussen elektriciteitsleverancier en afnemers geen invloed hebben op de aansprakelijkheid van derden, verworpen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de Staat wordt aansprakelijk gehouden voor de schade door het stukvliegen van de hoogspanningsleiding.