ECLI:NL:PHR:1958:6
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bij klachtdelict en ouderlijke macht tijdens detentie vader
In deze zaak stond centraal of de Officier van Justitie ontvankelijk was in de vervolging van een klachtdelict waarbij de klacht alleen door de moeder van het minderjarige slachtoffer was ingediend, terwijl de vader nog de ouderlijke macht uitoefende maar gedetineerd was. De rechtbank had het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat de moeder niet bevoegd werd geacht de klacht in te dienen zonder dat de vader in onmogelijkheid verkeerde de ouderlijke macht uit te oefenen.
Het hof bevestigde dit oordeel en overwoog dat detentie van de vader niet per definitie betekent dat hij niet in staat is de ouderlijke macht uit te oefenen, en dat de vader nog steeds in staat was een klacht in te dienen. De Procureur-Generaal stelde cassatie in met het middel dat de wet anders uitgelegd moest worden en dat feitelijke onmogelijkheid van de vader om de ouderlijke macht uit te oefenen aannemelijk moest zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de wet niet voorschrijft dat de vader alle handelingen moet kunnen verrichten, maar dat het gaat om feitelijke onmogelijkheid in haar volle omvang. Detentie van de vader brengt mee dat hij de ouderlijke macht niet volledig kan uitoefenen, waardoor de moeder als enige ouder wel bevoegd is de klacht in te dienen. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk, met verwijzing naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging met verwijzing naar de rechtbank.