ECLI:NL:PHR:1962:1
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest over onredelijke vordering tot ontruiming woonruimte door gemeente
In deze zaak stond de rechtmatigheid van een vordering tot ontruiming van woonruimte centraal, waarbij de gemeente een woning wilde ontruimen die met financiële steun van de eiser was gebouwd voor werknemers. De gemeente stelde dat de woning beschikbaar moest blijven voor werknemers zolang zij bij de eiser in dienst waren.
De werknemer Kenter had zelf ontslag genomen en de gemeente vorderde na ongeveer 15 maanden ontruiming van de woning. De eiser stelde wanprestatie en subsidiair onrechtmatige daad van de gemeente, vanwege strijd met de gewekte verwachtingen.
De Hoge Raad overwoog dat de gemeente niet redelijk tot deze vordering had kunnen komen, omdat de afspraken tussen gemeente en eiser ondubbelzinnig inhielden dat een vertrokken werknemer de woning zou verlaten, maar dat de gemeente rekening had moeten houden met de situatie van Kenter. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bekrachtigde het vonnis van de president van de rechtbank Amsterdam, waarbij de gemeente werd veroordeeld in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bekrachtigt het vonnis van de president van de rechtbank Amsterdam, waarbij de gemeente niet in redelijkheid tot de vordering tot ontruiming kon komen.