ECLI:NL:PHR:1966:AB5225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis en bekendheid veroordeelde met vonnis
In deze echtscheidingsprocedure staat centraal of verweerster tijdig verzet heeft ingesteld tegen een verstekvonnis. Het Hof had geoordeeld dat het ondertekenen van een ontvangstverklaring en het in ontvangst nemen van stukken, waaronder mogelijk een afschrift van het vonnis, niet noodzakelijkerwijs betekende dat verweerster bekend was met het vonnis. De Hoge Raad bevestigt dat dergelijke handelingen niet automatisch de bekendheid met het vonnis inhouden, aangezien de verzetstermijn pas begint te lopen bij daadwerkelijke kennisneming.
Daarnaast had eiser aangevoerd dat een brief van de Duitse raadsman van verweerster, geschreven vóór de verzetdagvaarding, duidde op bekendheid met het vonnis. Het Hof verwierp dit omdat de brief niet door verweerster zelf was geschreven. De Hoge Raad stelt echter dat uit het schrijven van die brief door de raadsman kan worden afgeleid dat verweerster zelf een daad heeft verricht waaruit haar bekendheid met het vonnis volgt, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld.
De Hoge Raad benadrukt dat de wet een daad van de veroordeelde zelf verlangt om de verzetstermijn te laten ingaan, maar dat het aanwijzen van feiten die het vermoeden van een dergelijke daad rechtvaardigen voldoende kan zijn. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar de feitelijke bekendheid van verweerster met het vonnis. De verweerster wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader onderzoek naar de bekendheid van verweerster met het verstekvonnis.