Conclusie
onderdeel 1de grief dat het Hof, ‘’door het vonnis van de President van de Arrondissements-Rechtbank te Almelo te bekrachtigen en door zich bevoegd te achten van de ingestelde vordering kennis te nemen’’, heeft miskend dat ‘’het geschil en/of de beslissing op het geschil niet betrekking had op en/of strekte tot een voorziening bij voorraad’’.
onderdeel 2wordt uit het oog verloren dat, ook al zouden het bestreden arrest en het daarbij bekrachtigde vonnis beslissingen behelzen omtrent de plicht van [eiser] om te leveren en te transporteren, de rechter in kort geding zich niet van zulke beslissingen behoeft te onthouden, omdat het de rechter vrijstaat ‘’bij de motiveering, waarom hij een bepaalde voorziening toewijst, zijn oordeel te geven omtrent de rechtsverhouding van partijen’’ (arr. H.R. 14 febr. 1946, N.J. 1947, no. 155, n. E.M.M.). Meijers verwijst in zijn noot op dit arrest naar p. 82 van zijn ‘’Kort Geding’’, alwaar sprake is van de onbevoegdheid van de rechter in kort geding tot het geven van een declaratoir van rechten. In het dictum van zijn vonnis heeft de President zich echter onthouden van een declaratoire uitspraak, waarbij ik er aan herinner dat een declaratoir vonnis een vonnis is ‘’waarbij de rechter volstaat met het geven van eene verklaring omtrent den rechtstoestand van partijen, zonder dat dit vonnis tevens eene veroordeeling bevat, of tevens wijziging van den rechtstoestand van partijen met zich brengt’’, Scheltema, Het declaratoor vonnis, Verspr. Geschr. p. 615.
onderdeel 2van het middel.
onderdeel 3, is m.i. onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien hoe hetgeen in de onderdelen 1 en 2 van het voorgestelde middel is vermeld grond zou kunnen zijn voor de klacht dat het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed: hetgeen in de onderdelen 1 en 2 is vermeld is door eiser niet in hoger beroep aangevoerd.