ECLI:NL:PHR:1967:AC3505

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 maart 1967
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
10.099
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1595 lid 1 BWArt. 7 huurcontract 27 juli 1960Art. 18 lid 2 HuurwetArt. 1584 BWArt. 99 wet R.O.
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afstand door huurder van gebruik gehuurde aan eigen NV strijdig met huurbescherming

In deze zaak stond centraal of een huurder zijn gebruiksrecht van het gehuurde mocht overdragen aan een door hemzelf opgerichte naamloze vennootschap, terwijl hij tevens directeur en enig aandeelhouder van die NV was. De Rechtbank had geoordeeld dat deze inbreng een verboden afstand van huur was, mede omdat de huurder het woongedeelte door zijn zoon en diens echtgenote liet bewonen.

De Hoge Raad bevestigde dat deze situatie strijdig is met artikel 1595 lid 1 BW Pro, dat afstand van huur aan derden verbiedt. Ook werd overwogen dat de huurder niet meer in het genot van het gehuurde was, omdat hij zijn rechten en verplichtingen had ingebracht in de NV en elders woonde. Hierdoor was artikel 18 lid 2 van Pro de Huurwet niet van toepassing.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de eis tot ontruiming ontvankelijk was zonder toetsing aan de gronden van artikel 18 lid 2 Huurwet Pro. De huurbescherming kwam de huurder in deze situatie niet toe, en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de overdracht van het gebruiksrecht aan een eigen NV een verboden afstand is, waardoor huurbescherming niet toekomt en ontruiming toewijsbaar is.

Conclusie

S.
No. 10.099.
Zitting 16 maart 1967.
Mr. van Oosten.
[eiser]
contra
[verweerster 1], weduwe van [verweerder 2] c.s.
Edelhoogachtbare Heren,
Middel Igaat er van uit dat de Rechtbank heeft aangenomen dat [eiser] door de in het middel bedoelde inbreng de huur heeft afgestaan in de zin van art. 1595 B.W. Maar de Rechtbank heeft, door gegrondbevinding der tweede appelgrief, aangenomen dat de inbreng in een naamloze vennootschap, te zamen met de bewoning door [eiser]’s zoon beschouwd, een verboden afstand van huur is. Het middel mist alzo feitelijke grondslag. Uit r.o. 15 van het bestreden vonnis blijkt m.i. bepaaldelijk dat de Rechtbank het feit dat [eiser] het woongedeelte van het gehuurde door zijn zoon en diens echtgenote laat bewonen, mede in aanmerking heeft genomen, in het kader van de behandeling van de tweede, door haar doeltreffend geachte, appel-grief.
Al zouden de door de Rechtbank vastgestelde feiten, als bedoeld in het middel, beletten om aan te nemen dat [eiser] heeft gehandeld in strijd met art. 7 van Pro het huurcontract van 27 juli 1960, in het bestreden vonnis aangehaald in r.o. 2, onder b, dan valt – ondersteld dat de Rechtbank dit heeft aangenomen – niet in te zien welke rechtsregel de Rechtbank zou hebben geschonden door dit aan te nemen terwijl de door haar vastgestelde feiten, als in het middel bedoeld, dat beletten. M.a.w.: de grief, dat de door de Rechtbank vastgestelde feiten, als in het middel bedoeld, beletten om aan te nemen “dat [eiser] gehandeld heeft in strijf met de door de Rechtbank in rechtsoverweging 2 b aangehaalde bepaling in de huurovereenkomst, dat [eiser] het gehuurde noch geheel, noch gedeeltelijk door derden mag laten gebruiken, of aan derden in onderhuur mag afstaan”, kan, naar het mij althans voorkomt, geen grond voor cassatie opleveren.
In de regel moet het recht slechts dan geacht worden te zijn geschonden voor zover de in cassatie aangevallen beslissing of zelf het recht heeft miskend of op zulk een miskenning berust. Zou de Rechtbank art. 7 van Pro het huurcontract hebben miskend dan is er m.i. geen schending van het recht in de zin van art. 99 der Pro wet R.O., vgl. van Praag, R.M. 44e jrg., 1925, p. 23/4.
Het eerste middel wordt alzo vruchteloos voorgesteld, althans naar het mij voorkomt.
Art. 18, 2e lid, der Huurwet vooronderstelt het geval dat de huurder of gewezen huurder in het genot is van het onroerend goed waarvan ontruiming wordt gevorderd. Het genot waarvan in art. 18, 2e lid, sprake is, en hetwelk de huurder of gewezen huurder in deze bepaling voorondersteld wordt te hebben als tegen hem tot ontruiming wordt geageerd, is “het genot” dat krachtens art. 1584 B.W. aan de contractuele wederpartij van de verhuurder toekomt, terwijl, althans volgens de heersende leer, de huurder niet meer in het genot van het gehuurde is, wanneer hij de huur in wezen aan een ander heeft afgestaan (M.v.A. II 1950, Ed. S.&J. no. 115, 7e dr., p. 100). Derhalve is de bepaling van art. 18, 2e lid, der Huurwet niet toepasselijk in het zich hier voordoende geval, waarin de huurder, [eiser], vóór en tijdens het proces, aangelegd bij inleidende dagvaarding, uitgebracht op
20 augustus 1965, niet meer in het gehuurde woonde, maar zich metterwoon elders in [plaats] had gevestigd. Deze bepaling is in casu te minder toepasselijk, nu de Rechtbank heeft vastgesteld en in cassatie niet is betwist dat [eiser] al zijn rechten (dus ook al zijn genotsrechten) en verplichtingen, voortvloeiende uit de voormelde huurovereenkomst, heeft ingebracht in een naamloze vennootschap. Mitsdien had de Rechtbank de ontvankelijkheid van de eis tot ontruiming niet te beoordelen naar het bepaalde in het tweede lid van art. 18 der Pro Huurwet, en behoefde de Rechtbank, ter beoordeling van de toewijsbaarheid van de eis tot ontruiming, de gronden van deze eis niet te toetsten aan de in art. 18, 2e lid, omschreven gronden, waarop volgens art. 18, 2e lid, der Huurwet de verhuurder de ontruiming door de huurder of gewezen huurder slechts kan vorderen.
Geen der voorgestelde middelen gegrond achtende concludeer ik tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van de eiser in de kosten welke aan de zijde der verweerders op het cassatieberoep zijn gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,