In het Pruisische Landrecht (1794) heeft men bij deze laatste zienswijze aangeknoopt. Het Pruisisch landrecht is later — voor wat betreft het strafrecht — voor een groot deel overgegaan in het Wetboek van Strafrecht van de Noord-Duitse Bond; daarna in het S.G.B. Welnu, aldaar is — in par. 166— de Godslastering inderdaad in deze Frederikiaanse zin — strafbaar gesteld: "Wer dadurch, dass er öffentlich in beschimfenden Äusserungen Gott lästert ..." wordt gestraft met drie jaar gevangenisstraf. Men lette op het systeem: Men mag geen aanstoot geven. De Godslastering is alleen maar een verboden middel. Men kan hier spreken van een zekere sociologisering , "Enttheologisierung" van de Godslastering.
De Commissie De Wal, die, zo men weet, heel veel ontleend heeft aan het Wetboek van de Noord-Duitse Bond — men leefde in een tijd, dat het "Germania docet" opgeld deed – heeft het betreffende voorschrift echter niet overgenomen. Voorzitter De Wal merkt daaromtrent volgens de notulen (229, 230) op, dat hij overneming van het betreffend artikel niet kan aanbevelen en zich volkomen met het gevoelen der overige leden verenigt, die, nu men geen delicten in Deum meer aanneemt, de bepaling afkeuren. Het begrip "ergernis geven" is zeer onbeperkt, zodat in de praktijk de strafbaarheid wellicht afhankelijk zou worden van hetgeen de rechter al of niet voor ergerlijk houdt. De Commissie beperkte zich tot strafbaarstelling van schending van de z.g. objets du culte, die voel- en tastbaar zijn en waar voor onbestemdheid geen gevaar bestond.
De Regering heeft deze gedachte overgenomen en de Godslastering niet in het nieuwe wetboek als delict voorgesteld en de Kamer is hiermee blijkbaar accoord gegaan. Te signaleren valt slechts een opmerking van de afgevaardigde Heydenrijck (Smidt I, p. 10), dat hij in het Wetboek alles had gevonden behalve God, waarop Minister Modderman een antwoord gaf, dat niet veel anders was dan de vertaling van het zoeven genoemde Tiberiaanse adagium. Wel erkende de Minister, dat men in de wetgeving moest letten op de betekenis van de Godsdienst in de maatschappij.
Ook na de invoering van het Wetboek hebben wij — afgezien van plaatselijke vloekverboden — derhalve geen strafbaarstelling van Godslastering gekend. Totdat in de jaren dertig, toen werkloosheid en armoede wijd om zich heen grepen, de Communistische Partij Holland een vrij straffe campagne opzette tegen het Christelijk geloof, dat in haar ogen werd gebruikt als het middel tot instandhouding van deze verworden kapitalistische maatschappij: Verwezen zij naar citaten van Lenin als: God is een complex van ideeën, die zijn ontstaan door onderdrukking van de mens, hetzij door de natuur, hetzij door klasseverschil. Het opsieren van de Godsidee is het opsieren van de ketenen van de onwetende arbeiders. In verscheidene scherpe artikelen — ook tekeningen — in De Tribune werd de Godsdienst gehekeld, o.a. in een artikel: "Weg met het Kerstfeest", waarin leuzen werden gelanceerd als: "Christus op de mestvaalt, de Heilige Maagd in de stal, de Heilige Vader naar de duivel. Leve de stem van het kanon, het kanon der proletarische revolutie". Ook werd een plaat gepubliceerd, waarop Onze Lieve Heer met een gasmasker werd uitgebeeld en werd aangeduid als de uitvinder van een nieuw gifgas om de Sovjet-Unie te vernietigen.
Een dergelijke gerichte actie lokte uiteraard een re-actie uit. Amsterdamse predikanten tekenden verzet aan. Het R.K. Vrouwvolk protesteerde en in het Apologetisch Weekblad van Limburg "Overal" schreef Pater de Leeuw over satanskinderen en adderengebroed: "Het werd tijd — aldus de Pater — dat een krachtige massa van potige Limburgse jongeren in hun heilige verontwaardiging die hele duivelse bende uiteen joeg". Hij eindigde met de uitroep: "Och, wat is onze regering slap" (Vgl. Hand. 2e Kamer 1931/2 p. 2587).
Dat liet — zo leek het bijna — de Regering zich niet gezeggen en de Minister van Justitie, die zich al een tijd met dit verschijnsel had beziggehouden, diende een wetsontwerp in om aan dergelijke ‘’uitbraakselen der hel’’, zoals de Minister deze uitlatingen naderhand in de Kamer betitelde, een einde te maken. Een wetsontwerp, dat aan art. 147— dat het bespotten van geestelijken in functie en het beschimpen in de kerk van religieuze voorwerpen; de hiervoor bedoelde objets du culte — een stuk toevoegde, waarin naar Duits voorbeeld de Godslastering op indirecte wijze — als misdrijf tegen de Openbare Orde; titel V van boek II van het Wetboek — strafbaar werd gesteld.
Het voorstel stuitte in de beide Kamers nogal op weerstand. In de Tweede Kamer verzette zich n.l. niet alleen de linkerzijde, die hierin zag een eerste stap naar gewetensdwang en de invoering van een rijkskindex librorum prohibitorum, maar ook de uiterst rechtse reformatorische zijde, welke de Godslastering direct bestraft wilde zien: zij vond de door de Minister gekozen methode een oplossing in de geest van de Franse Revolutie en daarin had zij — zoals wij zagen — niet geheel ongelijk. Verder was er ook nog verzet van de protestantse middengroep — de C.H. —, die meende, dat men zich eenvoudig moest beperken tot het legaliseren van de fatsoensnorm op dit gebied: Men moet zich onthouden van onduldbare krenking van andermans godsdienstig gevoel. Op zich zelf redelijk, maar erg vaag. De Minister wilde er dan ook niet aan. Het gevolg was, dat bij de stemming de C.H. fractie in tweeën viel, een verschijnsel, dat zich nadien wel meer heeft voorgedaan.
Thans een enkele opmerking over de tekst van het artikel-deel.
Godslastering. De Minister heeft zich voor verklaring van deze term wel beroepen op uitspraken van de bekende ethicus Geesink. Daarbij dacht hij vooral aan het naar beneden halen van God — men denke aan het removere van Thomas. Men moet — aldus de Minister — in zijn uitlating uitgaan van het bestaan van God. Het hoogste opperwezen moet als Persoon zijn gesteld en vervolgens moet men die Persoon op een grove manier smalen. Men heeft daarbij niet te geloven in het bestaan van God (M.v.T., Hand. 1e Kamer 1932/3 p.43), maar men moet zich wel richten tot de Persoon, Hem in de uitlating "als Persoon stellen". De ongelovige bezigt aldus de godsdienstige voorstelling van de gelovige, om haar vervolgens te smaden. (M.v.A. Bijl. Hand. 2e Kamer 1931/2 p. 10). Deze op het eerste gezicht enigszins gekunstelde methode had de Minister nodig, want op deze wijze kon hij ook de niet-gelovigen onder de werking van de wet brengen, hetgeen anders niet mogelijk was, omdat directe, werkelijke, belediging veronderstelt, dat men het bestaan van degene, die men beledigt, aanneemt. Welnu, de ongelovige aanvaardt het bestaan van God niet, kan hem derhalve onmogelijk echt, werkelijk, beledigen. Hij kan echter wel (publiekelijk) de door hem "als aanwezig voorgestelde" Persoon tot het mikpunt maken van smadende uitlatingen.
De Minister is met deze vernuftige constructie nog wel op verzet gestuit in het parlement, o.a. van Wijnkoop in de 2e Kamer en van prof. Kranenburg in de 1e Kamer. Zij hield uiteraard verband met de bedoeling van de Minister de Godslastering slechts als maatschappelijk verschijnsel tegen te gaan en niet — wat vroeger het geval was, en wat de uiterst rechterzijde (Ds. Zandt c.s.) ook nu wilde — als echte lastering van God. De Minister meende voorts (o.a. M.v.A. 2e Kamer p. 7), dat de smalende Godslastering als "zonde" voor de gelovigen, maar als "delict" voor de ongelovigen ernstiger was. De ongelovige zal deze uitdrukkingen immers juist bezigen om andere mensen te treffen.
Om welk Godsbegrip gaat het? De Minister dacht aan de concrete realiseringen van het Godsbesef van ons volk, zoals die in de onderscheidene geloofsopvattingen en geloofsbelijdenissen zijn te aanschouwen (Hand. 2e Kamer 1931/2, p. 2632). De Minister heeft ook hier weer een klein beetje gekeken naar Duitsland, waar men het Godsbegrip laat bepalen door "das Bekentniss der Christlichen Kirchen enz.". Bij ons zijn de christelijke kerken echter wat minder geïnstutionaliseerd, zodat er meer onzekerheid daaromtrent kan bestaan. Misschien dacht de Minister aan de kerkgenootschappen als bedoeld in de wet van 1853, maar dat neem ik niet aan. Dan had hij het wel gezegd. Vermoedelijk bedoelt hij de door de maatschappij als serieus aanvaarde christelijke opvattingen. Om met het kamerlid Mendels te spreken: Het moet gaan om een Godsvoorstelling, die leeft in een groter of kleiner menigte van het volk.
Naar mijn mening zal het derhalve gaan om het volgend Godsbeeld: