Conclusie
middel 1avermelde verweer, indien juist bevonden, hebben moeten leiden tot afwijzing van de eis. Zou [eiser] de uitschuifbare balk op aanwijzing van het personeel van de N.V. Koninkl. Nederl. Vliegtuigenfabriek ‘’Fokker’’ hebben uitgeschoven en de vliegtuigvleugel met uitgeschoven balk zijn gaan overbrengen van het schip naar de wal, en zou [eiser] niet hebben gewenst dat de zaak waarmede hij voormelde verbintenis wenste uit te voeren, niet op deze wijze werd bediend, dan is dit m.i. een omstandigheid waaronder het breken van de bout niet aan [eiser] kan, noch ook mag, worden toegerekend. Middel 1a, zoals het is omschreven en toegelicht, acht ik mitsdien gegrond, echter met dien verstande dat de vraag, door wie het risico voor het breken van de bout gedragen moest worden, door [eiser] of Fokker, niet naar ‘’goede trouw’’ te beoordelen is.
middel 2b. Zou het bepaalde in de artt. 523 en 811, lid 3, K. de toepassing zijn van een algemeen beginsel van Nederlands verbintenissenrecht, dan zou dit het beginsel moeten zijn dat de schuldenaar, die zich ter uitvoering van een uit overeenkomst ontstane verbintenis om iets te doen bedient van een zaak, instaat voor de deugdelijkheid dier zaak. Zulk een beginsel is in het Burgerlijk Wetboek
nietaanwijsbaar, althans niet als a l g e m e e n beginsel van Nederlands verbintenissenrecht.