Conclusie
eerste middeldat de verzoekster tot cassatie, verder te noemen: [verzoekster] N.V., voorstelt, heeft betrekking op een besluit van de op 22 mei 1967 gehouden vergadering van houders van prioriteitsaandelen in [B] N.V., een holdingcompany, waarvan thans verzoekster een der dochtermaatschappijen is. Deze vergadering van houders van prioriteitsaandelen heeft ingevolge art. 10, lid 2, aanhef en onder d, juncto art. 10, lid 4, tweede volzin, der statuten van [B] N.V. goedgekeurd het uitoefenen van stemrecht door de Raad van Bestuur van [B] N.V. op de deelneming van [B] N.V. in [verzoekster] N.V., en wel het uitoefenen van dit stemrecht in de op 22 mei 1967 uitgeschreven algemene vergadering van houders van aandelen in [verzoekster] N.V..
middel Istellende, dat ‘’bij het ontbreken van een gerechtvaardigd materieel belang, gerequestreerdes beroep op de nietigheid van het besluit der vergadering van prioriteitsaandeelhouders om aan de Raad van Bestuur goedkeuring te verlenen tot uitoefening van haar stemrecht als door de Rechtbank bedoeld, het desbetreffende bezwaar van gerequestreerde had behoren te zijn afgewezen’’ stelt niet hoe de Rechtbank had moeten beslissen op het beroep van de oorspronkelijke verzoeker, [gerequesteerde] , op de nietigheid van het evengemelde goedkeuringsbesluit. Gaat men er van uit dat deze een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het goedkeuringsbesluit, en bedoelt verzoekster te stellen dat dit beroep bij gebreke van een gerechtvaardigd materieel belang bij het inroepen van de nietigheid van dit besluit had behoren te worden afgewezen, dan meen ik dat deze stelling in cassatie niet kan worden onderzocht.
weldat derden, die de nietigheid van zulk een besluit inroepen, daarbij belang moeten hebben, maar dat ook aandeelhouders, die de nietigheid inroepen, daarbij belang moeten hebben valt, althans naar ik zou menen, stellig niet uit art. 46a K. af te leiden. En zou de aandeelhouder belang moeten hebben bij het inroepen der nietigheid, dan ware met Verdam, Nietigheid van besluiten (1940), p. 184, te oordelen, dat in art. 46a iedere aandeelhouder wordt aangewezen als ‘’belanghebbende jure suo’’, en dat het belang, hetwelk iedere aandeelhouder jure suo heeft, reeds is: het belang bij de naleving van wet en statuten. Naar analogie van art. 46a K. ware in dezelfde zin te oordelen waar het andere vergaderingen van aandeelhouders dan algemene vergaderingen betreft.
onderdeel b van middel IIvruchteloos wordt voorgesteld.
onderdeel avan middel III ondeugdelijk.
onderdeel cis dan ook niet misplaatst. Echter, aangezien, zoals gezegd, de Handelsregisterwet 1918 niet voorschrijft dat de ingevolge art. 28 dezer Pro wet te nemen beschikkingen met redenen omkleed moeten zijn, wordt de motiveringsklacht, vervat in onderdeel c tevergeefs ingebracht.