In deze zaak betwist de rekwirant de geldigheid van de inbeslagneming van zijn auto, die plaatsvond naar aanleiding van een heterdaadmelding van een overtreding van artikel 224 A.P.V. Het Hof had geoordeeld dat de auto krachtens de wet in beslag was genomen, ondanks dat de wijze van inbeslagneming niet in detail was vastgelegd in het arrest. De Hoge Raad bevestigt dat het Hof niet verplicht was om ontlastende verklaringen op te nemen die niet als bewijsmiddel waren gebruikt en dat het oordeel van het Hof over de bewijsvoering moet worden gerespecteerd.
De Hoge Raad stelt dat de wet geen specifieke vormvoorschriften kent voor inbeslagneming en dat het enkel mededelen van beslaglegging niet per definitie betekent dat het beslag niet rechtsgeldig is gelegd. Het Hof mocht uit verklaringen van rekwirant en getuigen afleiden dat de auto daadwerkelijk onder de macht van de opsporingsambtenaren was gekomen. Ook het feit dat de burgemeester in een brief niet verwees naar het toepasselijke artikel doet niet af aan de geldigheid van het beslag.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het Hof terecht de poging tot onttrekking van het in beslag genomen voorwerp heeft bewezen verklaard. Ondanks dat rekwirant een afwachtende houding aannam en meende dat hij slechts wilde aantonen dat de auto rijklaar was, kon uit verklaringen en gedragingen zoals het starten van de motor en het inschakelen van de versnelling worden afgeleid dat hij zijn voornemen tot wegrijden had ingezet. De klachten van rekwirant worden verworpen en het cassatieberoep wordt afgewezen.