Conclusie
kunstgrepen sluit taalkundig reeds bedriegelijk oogmerk in. Asser-Rutten II blz. 132: ‘’Nodig is voorts, dat de wederpartij de bedoeling heeft gehad een valse voorstelling te wekken. Bedrog impliceert de bedoeling om te misleiden, om bij iemand een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid te wekken.’’ Hofmann-van Opstall blz. 344: ‘’Bedrog bestaat dus in het opzettelijk teweegbrengen van dwaling bij de wederpartij’’. De geëerde pleiter voor eiser heeft in zijn toelichting op het hiervoren geformuleerde bezwaar tegen de opvatting van het Hof daaraan zelf de grondslag ontnomen door aan te voeren, dat voldoende is, dat het verzwijgen jegens [eiser en betrokkene 2] te kwader trouw was en/of met bedriegelijk oogmerk, omdat hiermede immers evenzeer de opzet tot verzwijgen gedoeld wordt, welke het Hof nu juist niet gesteld heeft geacht.