ECLI:NL:PHR:1970:AC5006
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van opzegging tijdens ziekte werknemer en gevolgen volgens BBA 1945 en BW
In deze zaak stond de vraag centraal of de opzegging van een dienstbetrekking tijdens ziekte van de werknemer nietig is. De werknemer stelde dat de opzegging van 5 mei 1965 in strijd was met het tweede lid van artikel 1639h BW en daarom nietig moest worden verklaard.
De Hoge Raad overwoog dat het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA) 1945 een verbod bevat op het ontslag van zieke werknemers zonder toestemming van het Arbeidsbureau. In dit geval was door de werkgever toestemming gevraagd en verkregen, omdat de beëindiging van de arbeidsverhouding met wederzijds goedvinden zou zijn geschied. Hierdoor was het ontslag niet nietig op grond van het BBA 1945.
Verder stelde de Hoge Raad dat het Burgerlijk Wetboek geen sanctie van nietigheid kent voor opzeggingen in strijd met artikel 1639h BW. De sanctie is schadevergoeding en niet nietigheid. Ook de stelling dat de werkgever op grond van goede trouw geen beroep kon doen op het ontslag werd verworpen, omdat de dwingendrechtelijke bepalingen van het BW niet opzij kunnen worden gezet.
Ten slotte werd overwogen dat de verjaringstermijn van zes maanden voor het instellen van een vordering tot schadevergoeding begint te lopen vanaf het moment dat de dienstbetrekking eindigt, hier 1 oktober 1965. De Hoge Raad verwierp het beroep van de werknemer en veroordeelde hem in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat de opzegging tijdens ziekte niet nietig is, maar dat de bescherming van de werknemer ligt in schadevergoeding.