Conclusie
Het gaat hier uitsluitend om handhaving van het eigendomsrecht tegenover onrechtmatige inbreuk.Terecht stelt het Hof, naar mijn mening, dat aan de vordering tot handhaving van het eigendomsrecht niet kan worden tegengeworpen, dat de niet-gerechtigde inbreukmaker te goeder trouw is geweest. Dit vorderingsrecht van de eigenaar is niet afhankelijk van de al dan niet goede trouw van de bezetter. Zie: Recueil Dalloz Sirey — 1969 — jurisprudence blz. 654: ‘’Les juges ne sauraient donc refuser d'ordonner la démolition d'une construction empiêtant sur le terrain d'autrui sous le prétexte de la bonne foi du constructeur, alors que cet empiétement constitue une atteinte au droit de propriété (Civ. 1re, 10 juill. 1962, D. 1963. Somm. 38; Rev. trim. dr. civ. 1963, 121, obs. Bredin)’’;
geen enkel redelijk doelwordt beoogd.