Conclusie
[eiser]/[verweerster] q.q.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of de oorspronkelijke eiseres optrad als provisioneel bewindvoerder krachtens artikel 495 oud Pro BW of artikel 33 van Pro de Krankzinnigenwet. Dit was van belang voor haar vertegenwoordigingsbevoegdheid in het hoger beroep. Het hof had dit ambtshalve moeten onderzoeken, maar deed dit niet.
De Hoge Raad oordeelde dat het nalaten van dit onderzoek een schending van de openbare orde betrof, waardoor het arrest niet in stand kon blijven. De zaak werd daarom verwezen naar het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch voor een nieuw oordeel.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad een tweede middel dat betrekking had op de vraag of de provisioneel bewindvoerder in strijd met de goede trouw handelde door haar rechten na lange tijd alsnog te doen gelden. Dit middel werd verworpen omdat het oordeel van het hof op feitelijke gronden steunde en cassatie daarop niet mogelijk is.
De conclusie was vernietiging van het arrest en verwijzing met kostenverdeling conform de cassatieprocedure.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van ambtshalve onderzoek naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof.