Conclusie
Maar nu weer ter zake. Ik kan mij grosso modo verenigen met de overwegingen van de Rechtbank.
Allereerst ben ook ik van mening, dat de identiteit van de o.p. voldoende vaststaat, en dat mag worden aangenomen, dat deze de Britse, niet (tevens) de Nederlandse nationaliteit bezit, terwijl ik verder van oordeel ben, dat aan de vereisten die de artt. VIII en XII stellen t.a.v. de papieren is voldaan. Wat art. XII betreft stel ik trouwens mij op het standpunt, dat zóveel papieren aan de daar gestelde formaliteiten moeten voldoen, dat op grond hiervan uitlevering reeds gewettigd zou zijn. Mochten er bij de stukken die in deze voorstelling a.h.w. tot de overbodige behoren een of meer zijn, die niet aan de formele vereisten van het artikel voldoen, dan zal dit op de toelaatbaarheidsvraag geen beslissende negatieve invloed kunnen uitoefenen. Ik meen, dat de ratio een dergelijke oplossing gebiedt.
Wat het feit betreft waarvoor de uitlevering in casu wordt gevraagd: Dit wordt in het bevelschrift omschreven in deze zin, dat de o.p. ‘’on October 23 rd, 1972 within the jurisdiction of the Central Criminal Court (Londen, R.) wounded [getuige 1] with intent to cause him grievous bodily harm’’, welk feit in het Engelse recht strafbaar is gesteld – videte voormeld rapport van Mr Adams ; ik leg hier echter bovendien nog over een fotocopie van pp 152 en 153 van Halsbury’s Statutes of England, third edition, volume 8 (Londen 1969), waarin het delict – art. 18 van Pro de Offences against the persons act - volledig is vermeld: ‘’Whosoever shall unlawfully and maliciously by any means whatsoever wound or cause any grievous bodily harm to any person … with intent … to do some … grievous bodily harm to any person … shall be guilty of felony, and being convicted thereof shall be liable … to kept in penal servitude for life …’’ – Voor ons is echter van belang, dat dit feit gerubriceerd wordt onder no.4 van art. II van het Verdrag, hetwelk voor wat de Engelse versie betreft luidt ‘’malicious wounding or inflicting grievous bodily harm’’, waarbij m.i. gelet op de omschrijving van het concrete delict het eerste alternatief van toepassing zal zijn. In de Nederlandse kolom - m.a.w. voor Nederland – is deze rubriek aangeduid als verwonding met voorbedachten rade of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Gelet op de geringe ‘’inhoudelijke’’ betekenis, die in Engeland te dezen aan de term ‘’maliciously’’ wordt toegekend – videte Halsbury, p.153 – kan men misschien aanmerkingen maken op deze ‘’vertaling’’, maar m.i. hebben wij ons bij deze ‘’gelijkstelling’’ – wat dus wat meer is dan een pure vertaling – neer te leggen. Welnu wat het Nederlandse alternatief betreft meen ik, dat ook hier het eerste, dus verwonding met voorbedachten rade in aanmerking zou moeten komen. De verbodsinhoud, die het meest adaequaat hiermee correspondeert is die van art. 301 Sr Pro., mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, al hebben wij dan slechts te maken met mishandeling in de vorm van een verwonding. Hoewel Uw Raad het concrete feit slechts heeft te toetsen aan het Nederlandse recht is het misschien niet onaardig even te wijzen op de wijze waarop de Engelsen een wond aanduiden. Behalve in het rapport van Mr Adams kan men dit ook lezen bij Halsbury, p.153: ‘’Wounding implies a injury whereby the skin is broken either externally or internally.’’ Wat voormelde toetsing dan betreft:
Ingevolge art. XIII van het verdrag zal de Nederlandse rechter nu nog moeten nagaan of er volgens de Nederlandse wet voldoende bewijs bestaat om een verwijzing naar de openbare terechtzitting te rechtvaardigen, indien het delict in Nederland zou zijn gepleegd. Wij hebben, zoals de Rechtbank terecht heeft gesteld, met de vraag of een Engelse rechterlijke instantie het feit eventueel volgens de daar geldende en naar mij voorkomt nogal ingewikkelde en formele procesregels bewezen zou kunnen achten niet te maken. Ter terechtzitting van de Rechtbank is daaraan destijds van de kant van de verdediging uitvoerige doch volkomen overtollige aandacht besteed. T.a.v. het criterium, dat hier gehanteerd moet worden, zal men m.i. – ik verwijs naar een conclusie van het O.M. vóór H.R. 3 april 1973 inzake […] (l.c.) – moeten aanknopen bij de jurisprudentie van Uw Raad inzake de verwijzing naar de terechtzitting bij de toepassing van art. 250 e.v. jo. art. 262 Sv Pro., als de vraag in het geding is of er wel voldoende aanwijzing van schuld is. Vgl. art. 250 lid 5 Sv Pro. Welnu de rechter kan dan volgens Uw Raad bij verwijzing naar de zitting volstaan met de vaststelling, dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is, dat de Rechtbank op de zitting de feiten bewezen zal achten. Vgl. o.m. H.R. 14 sept. 1931 N.J. 1931 p.1416 W.12420; 12 febr. 1934 N.J. 1934 p.952; 21 mei 1946 N.J. 1946 no.554; 20 juni 1968 N.J. 1968 no.133. Dat wil dus hier zeggen: pas wanneer het wel hoogst onwaarschijnlijk is, dat de Rechter het feit bewezen zou achten, zou de uitlevering op dit punt ontoelaatbaar geacht moeten worden.
Dat de o.p. de drijvende kracht was van het gepleegde delict is ook in overeenstemming hiermee, dat hij een duidelijk motief had om [getuige 1] te mishandelen, zoals hiervoor al enigszins uit de verklaring van [getuige 1] bleek. Ik doel op de door de o.p. (sarrenderwijs) gebezigde woorden ‘’[…]’’. Uit de stukken blijkt nl. dat [getuige 1] een verhouding had gehad of tempore delicti nog had met de vrouw van de o.p. Ik citeer de getuige [betrokkene 4] (p.71): ‘’He -het slachtoffer- deserved all he got; you can’t go to bed with another man’s wife, especially when that man is [de opgeëiste persoon] ’’. De getuige [betrokkene 13] vertelt dan ook, dat de opgeëiste persoon, toen de heren na afloop van het aangerichte bloedbad op diens kosten aan de maaltijd zaten in een andere kroeg – the Celebrity –, tot voormelde [betrokkene 2] zei: ‘’You done a good job there [betrokkene 2] ’’ (dossier p.16). Hoewel, zo wij zagen, zulks geenszins voor deze zaak doorslaggevend is, is zelfs de kans, dat zwaar lichamelijk letsel bewezen zou worden m.i. niet uitgesloten. De arts [betrokkene 18] rapporteert hieromtrent immers (pp.106 e.v.): He (het slachtoffer, R.) was bleeding profusely from a scalp wound 7 cm. long. There was also a 9 cm. wound in his right cheek, a 2 cm. wound in his right ear, and a penetrating 2cm. wound in his right forearm. ... He had lost two pints of blood from his scalp. ...When I initially examined [betrokkene 19] (de andere naam derhalve van het slachtoffer, R.) he was losing blood at a significant rate
and any prolonged delay in treatment might have been dangerous. Nu weet ik wel, dat er in het dossier nog ligt een verklaring van een Nederlandse arts, die meent, dat hier niet sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar dat neemt niet weg, dat de rechter niettemin de mogelijkheid zou hebben om dit onderdeel bewezen te achten.
Nog een paar woorden over de vraag of en zo ja welke beslissing Uw Raad zou moeten nemen inzake de inbeslaggenomen voorwerpen. Het betreft een internationaal rijbewijs ten name van […], een zwart notitieboekje en een zwarte zakagenda. De P.G. Langemeijer heeft in zijn hiervoor reeds eerder genoemde conclusie gesteld, dat een dergelijke teruggave ongeoorloofd is, omdat de uitlevering slechts toelaatbaar is verklaard voor één van de drie feiten waarvoor zij is gevraagd en niet blijkt, dat deze stukken verband houden met dit ene feit, ja dat bij lezing van het dossier zelfs duidelijk is, dat zij dit niet doen. De preliminaire vraag, naar ik met de grootst mogelijke bescheidenheid moge opwerpen, is echter, of er wel een bepaald verband tussen de uitleveringszaak en de voorwerpen moet zijn. In art. 46 wordt Pro nl. niet gesproken over overtuigingsstukken of goederen die de opgeëiste persoon door middel van zijn delict (onrechtmatig) verkregen zou hebben. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet van een dergelijke beperking. Het komt mij echter voor, dat er wel een restrictie mag worden aangenomen. Allereerst moge ik verwijzen naar het gestelde bij Trousse-Vanhalewijn, Uitlevering en internationale rechtshulp in strafzaken (Brussel, 1970), p.114: ‘’Algemeen wordt aanvaard dat de aangezochte Staat, zelfs indien geen enkele regel van positief recht het bepaalt, en zelfs indien de verzoekende Staat het niet uitdrukkelijk heeft gevraagd, de voorwerpen in beslag neemt die kunnen dienen als overtuigingsstukken en die op het ogenblik van de aanhouding in het bezit worden gevonden van de opgeëiste of nadien worden ontdekt. De aangezochte Staat draagt deze stukken dan over aan de verzoekende Staat (Levasseur, G, L’extradition, 5e cah., nr.10)’’ – Iets verder betitelen de schrijvers boven omschreven gang van zaken als een ‘’internationale gewoonteregel’’. Ik neem aan, dat wij met de stukken van overtuiging wel kunnen gelijkstellen voorwerpen die door het misdrijf zijn verkregen. Vgl. in dit verband ook bijv. art. 9 van Pro het toenmalige Fr.-Ned.Uitl.verdrag van 1898 (S 113). Dat zijn trouwens praktisch ook altijd min of meer stukken van overtuiging. Tot een dergelijke beperking is te meer aanleiding in het onderhavige geval, omdat art. XV van het Brits-Nederlands Uitleveringsverdrag stelt, dat de uit te leveren staat al de in beslaggenomen goederen als hij de overgave daarvan bevolen heeft zal overgeven op het moment dat de uitlevering plaats vindt en die overgave zal zich niet alleen uitstrekken tot de door het misdrijf verkregen voorwerpen maar tot alles wat tot het bewijs van het misdrijf kan dienen. Zulks impliceert -veronderstelt- m.i. een soortgelijke beperking. Welnu hier hebben wij, dunkt mij noch met reële overtuigingsstukken voor deze strafzaak te doen noch met goederen die door het onderhavige delict kunnen zijn verkregen. Ik moge Uw Raad mitsdien voorstellen om terzake van deze voorwerpen maar geen uitspraak te doen.