ECLI:NL:PHR:1973:AC5345
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst wegens niet-betamalige bedrijfsvoering zonder verwijtbaarheid
In deze zaak stond de beëindiging van een huurovereenkomst centraal op grond van slechte bedrijfsvoering van de huurder. De Hoge Raad oordeelde dat de bedrijfsvoering niet aan de maatstaven van een goede huurder hoefde te voldoen om de huurovereenkomst te kunnen beëindigen, ook als de huurder daarvoor geen verwijt treft. Dit volgt uit de strekking van het oude artikel 1631a lid 2 onder 2 BW (thans art. 7:296 lid 1 sub a BW Pro).
De procedure speelde zich af na een tussentijdse wijziging van de stellingen door de verhuurder, die stelde dat de huurder de winkelruimte niet meer als zodanig exploiteerde, waardoor de waarde van het verhuurde aanzienlijk was verminderd. De rechtbank oordeelde dat deze stelling niet te laat was ingebracht en niet in strijd met goede procesorde. De Hoge Raad verwierp het beroep van de huurder tegen deze beslissing.
Verder werd geoordeeld dat het begrip 'bedrijfsvoering zoals een goede huurder betaamt' niet vereist dat de huurder verwijtbaar handelt. Ook werd vastgesteld dat de achterstallige onderhoudsstaat van het pand geen doorslaggevende invloed had op de bedrijfsvoering of de waardevermindering bij afwijzing van de huuroverlenging. Het beroep werd verworpen en de huurovereenkomst kon worden beëindigd met ontruiming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de huurovereenkomst wordt beëindigd wegens niet-betamalige bedrijfsvoering zonder verwijtbaarheid.