Conclusie
1), [verweerster 2] (oorspronkelijk eiseres onder
2), [verweerster 4] , echtgenote van […] (oorspronkelijk eiseres onder
4), [verweerder 5] (oorspronkelijk eiser onder
5), [verweerder 7] (oorspronkelijk eiser onder
7), [verweerster 8] (oorspronkelijk eiseres onder
8), [verweerder 10] (oorspronkelijk eiser onder
10), [verweerder 11] (oorspronkelijk eiser onder
11), [verweerster 12] , echtgenote van […] (oorspronkelijk eiseres onder
12), mitsgaders [betrokkene 1] , weduwe van […] en [betrokkene 2] door de Staat zijn erkend als de gezamenlijke ambachtsheren en vrouwen van Grijsoord, gezegd de Oude en Nieuwe Tonge en der halsheerlijkheid van Klinkerland. In deze akte worden onder de gezamenlijke ambachtsheren en -vrouwen
nietgenoemd: [verweerder 3] (de oorspronkelijke eiser onder
3), [verweerster 6] , weduwe van […] (oorspronkelijk eisers onder
6) en [verweerster 9] (oorspronkelijk eiseres onder
9).
onderdeel 1van
middel IIervan uit, primair, dat van oudsher, reeds vóór 17 februari 1420, en in ieder geval in de twintigste eeuw, naar geschreven of ongeschreven publiek recht, dan wel gewoonterecht een ieder op de bevaarbare en vlotbare rivieren of stromen de Grevelingen en de Krammer mag varen, ongeacht voor welke doeleinden, althans in ieder geval voor recreatieve doeleinden en/of om te vissen en/of ter beoefening van de hengelsport en/of voor meer dan alleen strikte verkeersdoeleinden, en dat onder dat recht van varen tevens moet worden begrepen het recht op de Grevelingen en de Krammer stil te liggen en/of te ankeren met een vaartuig.
onderdeel 1van
middel IIingenomen standpunt dat naar hedendaags recht ‘’een ieder op de bevaarbare en vlotbare rivieren of stromen de Grevelingen en de Krammer mag varen, ongeacht voor welke doeleinden, althans in ieder geval voor recreatieve doeleinden en/of om te vissen en/of ter beoefening van de hengelsport en/of voor meer dan alleen strikte verkeersdoeleinden, en dat onder dat recht van varen tevens moet worden begrepen het recht op de Grevelingen en de Krammer stil te liggen en/of te ankeren met een vaartuig’’ niet gegrond is in het hedendaagse recht. Mitsdien heeft de Rechtbank terecht beslist dat het ankeren voor recreatieve doeleinden, met name ook het ankeren ter beoefening van de hengelsport niet kan worden begrepen onder het ankeren ‘’voor strikte verkeersdoeleinden’’, waarmede de Rechtbank m.i bedoelt: ten het ten anker liggen ter deelneming aan het gewone verkeer door de waterweg, het doorgaande verkeer, met inbegrip van het tijdelijk daarin stilliggen, hetwelk met dit verkeer in zodanig verband staat dat het geacht mag worden hiervan deel uit te maken. Om deze redenen komt ook
middel Imij ongegrond voor.
middel IIworden de onderdelen 2, 3 en 4 en 5 tevergeefs voorgesteld.
onderdeel 2wordt voorbijgezien dat het in dit geding er om gaat of het een ieder vrijstaat op de Grevelingen en de Krammer ten anker te liggen ter recreatie en met name ter beoefening van de hengelsport, resp. of verweerders dit gebruik van deze waterwegen moeten gedogen.
onderdelen 3 en 4moeten afstuiten op de bedenking, dat, naar blijkt uit het vorenaangehaalde arrest van 17 jan. 1941 (het zgn. parlevinkersarrest), de vraag, welk gebruik van een waterweg, die openbaar is, aan ieder vrijstaat, moet worden beoordeeld naar de openbaarheid daarvan, en niet naar de publieke bestemming.
onderdeel 5door de Rechtbank niet aannemelijk is gemaakt en niet valt in te zien.
middel IIkan m.i. niet tot cassatie leiden, omdat de Rechtbank onbestreden heeft overwogen dat in appel de vordering van appellanten, nu verweerders, dient te worden beoordeeld uitsluitend voor zover daaraan ten grondslag ligt de stelling dat tussen partijen is overeengekomen dat verweerders aan [eiser] ontheffing verlenen uitsluitend tot het ankeren op de gronden van verweerders voor een vijftiental boten tegen een jaarlijkse betaling van f 250,-- per tijdvak van 1 mei tot 1 mei. Derhalve behoefde de Rechtbank in appel niet te oordelen over de ter inleidende dagvaarding gestelde feiten en over het dáártegen gevoerde verweer.
onderdeel 7van middel II.
onderdeel 7doel. Ik zou menen dat in deze zaak alle aanleiding is dit onderdeel gegrond te bevinden,
ten eersteomdat [eiser] bezwaarlijk kon bevroeden dat de appelrechter de vordering van verweerders, ook de toewijsbaarheid daarvan, uitsluitend zou beoordelen voor zover daaraan de meergemelde stelling van verweerders ten grondslag ligt, en,
ten tweede, omdat [eiser] zich in appel tegen deze stelling niet heeft kunnen verweren.
onderdeel 7ten zeerste aarzelend (in verband met H.R. 13 maart 1924, N.J. 1924, p. 652), concludeer ik dat de Hoge Raad onderdeel 7 van middel II gegrond bevinde, het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietige, het geding in zoverre verwijze naar het gerechtshof in het ressort, en ten aanzien van de kosten van het geding zodanige uitspraak geve als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.