Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:1974:AB3749

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 1974
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Req. civ. 10 856
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet administratieve rechtspraak belastingzakenArt. 382 RvArt. 390 lid 1 RvArt. 133 RvArt. 134 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van het request-civiel in belastingzaken volgens Wet administratieve rechtspraak belastingzaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad beoordeeld of het rechtsmiddel van request-civiel openstaat tegen een arrest gewezen krachtens de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken van 17 mei 1956.

De verzoeker had een request-civiel ingesteld tegen een arrest van de Hoge Raad waarin een eerder beroep was verworpen. De Hoge Raad verwijst naar een eerdere uitspraak uit 1932 waarin reeds werd beslist dat request-civiel niet openstaat in belastingzaken. De huidige wetgeving biedt een eigen, volledige regeling voor de procesgang in belastingzaken, waardoor het request-civiel als rechtsmiddel niet is voorzien.

De conclusie benadrukt dat de ruime tekst van art. 382 Rv Pro. niet tot een ander oordeel leidt, omdat deze slechts request-civiel toelaat tegen vonnissen in laatste feitelijke ressort en niet tegen arresten van de Hoge Raad die niet als feitelijke rechter optreden.

Ten slotte wordt ingegaan op de aangevoerde middelen van het request-civiel, die niet betrekking hebben op een materiële eis maar op grieven en motiveringsvragen, waardoor het verzoek niet ontvankelijk is verklaard met een beslissing omtrent de kosten.

Uitkomst: Het verzoek tot herroeping via request-civiel in belastingzaken is niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

V.
nr. 10.856.
Parket, 13 september 1974.
Mr. ten Kate.
Conclusie inzake:
[verzoeker], requestrant (fiscale zaak).
Edelhoogachtbare Heren,
In dit stadium van het geding zal ik mij beperken tot een beoordeling van de ontvankelijkheidsvraag van het ingestelde request-civiel. Dit rechtsmiddel is gericht tegen een door Uw Raad op 12 juni 1974 onder nr. V 17.353 gewezen arrest op een beroep van thans eiser bij request-civiel als bedoeld in art. 20 Wet Pro Administratieve Rechtspraak Belastingzaken (17 mei 1956, S. 323). Bij genoemd arrest werd het ingestelde beroep verworpen.
Bij het arrest H.R. 6 januari 1932, N.J. 1932 p. 346, heeft Uw Raad bij de toen geldende wetten beslist dat in belastingzaken het request-civiel niet openstaat. Ik meen dat er geen reden is thans anders te oordelen bij de wet van 17 mei 1956. In die wet is de voor deze materie geldende procesgang geheel geregeld. Hieraan doet niet af dat opzettelijk voor een soepele regeling is gekozen, die zich eenvoudig kan aanpassen aan procesrechtelijke ontwikkelingen in de buurgebieden. Het laat nog niet toe een in het door de wetgever ontwikkeld stelsel onbekend rechtsmiddel uit het naast liggende gebied van de burgerlijke rechtsvordering als daarin begrepen te achten. Ik moge hierbij verder verwijzen naar mijn proefschrift Request-civiel (1962), p. 2, noot 3 onder 2.
Wanneer men hierover anders zou denken, omdat nu eenmaal bij het feit dat aan procedures op tegenspraak over dezelfde zaak tussen dezelfde partijen eens een eind moet komen, voor het keren van ernstige onrechtvaardigheden, die daaruit kunnen voortvloeien, behoefte bestaat aan een uitlaatklep, en daarom de ruime tekst van art. 382 Rv Pro. zou laten prevaleren, dient men anderzijds de regeling van dat artikel en de daarop volgende artikelen in acht te nemen. Dit eist dan een dagvaarding, in plaats van een request zoals in casu is ingediend, waarbij procureur (advocaat) wordt gesteld. Men zie art. 390, lid 1, Rv. jo. art. 133 Rv Pro.; Request-Civiel (1962) p. 326.
Art. 382 Rv Pro. laat overigens — voor zover thans van belang — alleen request-civiel toe tegen vonnissen op tegenspraak in laatste ressort gewezen, hetgeen betekent vonnissen in hoogste feitelijk ressort. Onder deze term vallen die vonnissen en arresten waarin de hoogste feitelijke rechter heeft gesproken. Onder omstandigheden kan dit wel eens de Hoge Raad zijn, waarover H.R. 22 juni 1973, N.J. 1973, no. 465. In mijn conclusie aan dat arrest voorafgaande heb ik betoogd dat, wanneer de Hoge Raad na vernietiging ten principale recht heeft gedaan, request-civiel zou openstaan, wellicht te richten tegen het daaraan ten grondslag liggende vonnis of arrest van de feitelijke rechter. Reden was de hier liggende parallel. Anders is dit evenwel ten aanzien van die arresten van de Hoge Raad, waarin de Hoge Raad aan een optreden als feitelijke rechter niet toekomt, zoals in casu.
Tenslotte een enkel woord over de aangevoerde middelen van request-civiel. Het eerste en derde middel beoogt aan te haken aan artikel 382.4° resp. 2° Rv. (zie punt 2.15 van het request). Wanneer evenwel onder deze nummers gesproken wordt over ‘’eis’’, wordt daarmede gedoeld op de gevorderde materiële beslissing die de inzet van de procedure is, dus hetgeen bij inleidende dagvaarding of bij vermeerdering van eis (artt. 134, 347 Rv.) is verlangd enz. Daaronder behoren niet de grieven in appel noch ook de middelen in cassatie. Vgl. van den Dungen-Funke, Boek 1, p. 833; Cleveringa ‘’Meijersbundel’’ p. 206, 207 resp. 199.
Hetzelfde geldt voor het tweede middel van het beroep, dat op art. 382.6° Rv. slaat. Het gaat in de wet om eindbeslissingen op het in het geding materiëel gevorderde, niet over tegenstrijdigheden in de motivering en daarin vervatte rechtsoordelen, die daartoe leiden. Vgl. van den Dungen-Funke, Boek 1, p. 835; van Rossem-Cleveringa I p. 933, waarbij noot 9; Cleveringa ‘’Meijersbundel’’ p. 210; Request-Civiel (1962) p. 324 noot 52.
Zodanige eindbeslissingen zijn door de Hoge Raad in het bestreden arrest niet genomen.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde request-civiel met beslissing omtrent de kosten als de Hoge Raad vermeent te behoren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,