ECLI:NL:PHR:1976:AX3658

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 oktober 1976
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
17 968
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangingsreserve bij verkoop en renovatie van appartementen in flatgebouw

Belanghebbende, eigenaar van een flatgebouw met bedrijfsmatig verhuurde appartementen, verkocht enkele appartementen die vrij kwamen om de opbrengst te gebruiken voor renovatie en herverhuur van andere appartementen tegen hogere huurprijzen.

De vraag was of de boekwinst uit de verkoop van twee appartementen in 1970 kon worden gereserveerd als vervangingsreserve op grond van art. 14 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964. Belanghebbende stelde dat het voornemen tot renovatie als een 'voornemen tot vervanging' moest worden aangemerkt.

De Hoge Raad benadrukte dat het begrip 'vervanging' ruim moet worden geïnterpreteerd, waarbij het vervangende bedrijfsmiddel dezelfde economische functie vervult, ook als het van hogere kwaliteit of capaciteit is. Tevens kunnen meerdere bedrijfsmiddelen worden vervangen door één nieuw bedrijfsmiddel.

De rechtbank had het begrip vervanging te beperkt opgevat door te eisen dat renovatiekosten gelijkwaardig moesten zijn aan de verkochte appartementen. De zaak werd vernietigd en verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar de vraag of het nieuwe complex als vervanging kan gelden en wat de fiscale consequenties zijn.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de toepassing van de vervangingsreserve bij verkoop en renovatie van appartementen.

Conclusie

N.
Nr. 17.968.
Raadkamer oorspronkelijk 21 april 1976.
Parket, 23 juni 1976.
Mr. Van Soest.
Conclusie inzake:
[X]
tegen
STAATSSECRETARIS VAN FINANCIEN.
Edelhoogachtbare Heren,
De belanghebbende is eigenares van een flatgebouw, omvattende een aantal verhuurde appartementen, daterend uit de twintiger jaren. In 1970 zijn drie appartementen vrij gekomen, waarvan er twee zijn verkocht en een opnieuw is verhuurd. In de jaren 1971 tot en met 1974 zijn in totaal 13 appartementen vrij gekomen, waarvan er wederom twee zijn verkocht en 11 opnieuw verhuurd. Van de laatstgenoemde 11 zijn er 10 voor de nieuwe verhuur gerestaureerd, in verband waarmede de huurprijs kon worden verhoogd.
De gedragslijn van de belanghebbende is door haar verklaard als volgt (zie de bestreden uitspraak, overweging 3, le al. na de aanhef, blz. 6): "Dat in genoemde jaren .. vier flats zijn verkocht is toe
te schrijven aan het feit, dat restauratie een zo hoge investering zou hebben gevraagd dat een rendabele exploitatie niet meer mogelijk zou zijn." Het Hof heeft daaromtrent overwogen (omtrent het geschil, 2e al., blz. 7), dat "in dit geding niet is gebleken van de onjuistheid van de door belanghebbende gegeven - en op zich zelf beschouwd ook niet onlogische - verklaring voor de verkoop van de ..... vier flats".
In geschil is in dit stadium nog slechts, of de boekwinst, behaald bij de verkoop in 1970 van twee appartementen, mocht worden gereserveerd op de voet van art. 14 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 (IB' 64). De belanghebbende houdt zulks staande op grond dat haar voornemen tot restauratie van de overblijvende appartementen aangemerkt zou kunnen worden als een "voornemen tot vervanging", als bedoeld in art. 14, lid 1, IB'64.
In mijn conclusie voor H.R. 12 maart 1975, BNB 1975/101 met noot A. Nooteboom, citeerde ik passages uit de wetsgeschiedenis op grond waarvan bij de toepassing van art. 14 IB Pro'64 de term "vervanging" ruim geïnterpreteerd pleegt te worden (verg. ook H.R. 12 november 1975, BNB 1976/63 met noot M. J.H. Smeets). Centraal staat, dat het vervangende bedrijfsmiddel een zelfde economische functie, dat wil zeggen een soortgelijke taak of werkzaamheid gaat vervullen. Van vervanging is sprake, ook al is het vervangende bedrijfsmiddel van hogere kwaliteit en/of capaciteit (zie Memorie van antwoord, Bijlagen Handelingen Tweede Kamer, 1962-1963 - 5380, nr. 19, Art. 14, 3e al .: "Het doet daarbij niet ter zake dat het vervangende bedrijfsmiddel ..... moderner of waardevoller is."; par. 13, lid 13, Korte toelichting op de Wet op de inkomstenbelasting 1964, res. 18 november 1966, no. B6/14.781, Vakstudie-Nieuws 30 november 1966, no. 24A: "of een grotere capaciteit heeft"; Fiscale encyclopedie de Vakstudie, deel 2, aant. 17 op art. 14 IB Pro' 64). Het is voorts mogelijk, dat een aantal bedrijfsmiddelen wordt vervangen door één enkel (Korte toelichting t.a.p. ; L. Stil, De vervangingsreserve, Fed's fiscale brochures, IB: 6.1 (het nummer is later gewijzigd ), blz. 10 v. ; C. van Soest, Weekblad voor fiscaal recht (WFR) 4821 d.d. 13 oktober 1966, jaargang 95, blz. 876; anders Th. S. Ijsselmuiden WFR 4732 d.d. 17 december 1964, jaargang 93, blz. 1072 v., en 4733 d.d. 24 december 1964, blz. 1090 v.).
Het zou een toepassing van de zojuist gegeven voorbeelden zijn, indien het ging om vervanging van een verkocht appartement door aankoop van een gerestaureerd appartement, en eveneens, indien het ging om vervanging van een verkocht flatgebouw door aankoop van een ander flatgebouw, bevattende minder appartementen, maar elk van een hogere huurwaarde.
Indien nu de verkoop van twee bedrijfsmiddelen en de aankoop van één met een gelijke capaciteit als de beide verkochte hadden, vervanging is in de zin van art. 14 IB Pro'64, dan ligt het voor de hand, dat de verkoop van een van beide en de verbetering van het andere tot de oorspronkelijke gezamenlijke capaciteit, evenzeer vervanging vormt. Daarbij is het niet van belang, of de verbetering op zich zelf een bedrijfsmiddel vormt, maar of de kosten van verbetering van het (tweede) bedrijfsmiddel behoren tot de "kosten van vervanging", als bedoeld in art. 14, lid 1, le volzin, IB'64. Daartoe is het voldoende, dat deze kosten naar de regels, geldende voor de bepaling van de jaarwinst, worden geactiveerd, zodat de vervangingsreserve daarop kan worden afgeboekt.
Wat nu voor twee bedrijfsmiddelen geldt, kan, naar het mij voorkomt, op geheel gelijke wijze worden betoogd voor een complex bedrijfsmiddelen waarvan een deel wordt verkocht en de overblijvende door verbetering op een zodanig niveau worden gebracht, dat het complex daarna economisch de plaats inneemt van het oude complex.
Het Hof heeft naar mijn oordeel het begrip "vervanging" te beperkt opgevat door te eisen (7e al., blz. 8), dat de "renovatiekosten" op zich zelf gelijkwaardig zouden zijn aan de vervreemde appartementen. De bestreden uitspraak zal derhalve niet in stand kunnen blijven. Naar de vraag, of het voorgenomen nieuwe complex als vervanging zal kunnen gelden ten opzichte van het oude, en, in het bevestigende geval, naar de consequenties daarvan voor de bepaling van het belastbare bedrag zal alsnog een onderzoek van feitelijke aard moeten worden ingesteld. Het middel gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere berechting en beslissing in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest van Uw Raad.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,