Conclusie
a) aanneemt - uitdrukkelijk de afwezigheid van verborgen gebreken, door het paard te verkopen onder de pertinente garantie “goed, eerlijk en braaf, en vrij van enig kwaad”.
bvan het eindarrest) dat [betrokkene 1] tijdens de onderhandelingen ervan op de hoogte was dat [verweerder] te dezen optrad als commissionair en dat hij derhalve de koper was (slot r.o. 2 van het eindarrest).
den 3
jvan het eindarrest), moet worden opgevat, is aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden. Het Hof heeft hierin geen kleurloze verwijzing naar het beroep van [verweerder] gezien, doch een tekening van de relatie die [verweerder] tegen de achtergrond van zijn rechtsverhouding tot [betrokkene 2] - vgl. art. 9.7.2.1 lid 2 N.B.W. - met [betrokkene 1] aanging (vgl. r.o. 4 van het eindarrest). Het Hof baseert zijn oordeel in dit verband ook op de verklaring (r.o. 3
dvan het eindarrest) dat [verweerder] als adspirant-koper optrad.
gvan het eindarrest), doch dat in dat arrest geen aandacht heeft gekregen de tussen partijen vaststaande omstandigheid dat [verweerder] voor zich ook een - met [betrokkene 3] die hem op dit paard had gewezen, bij helfte te delen - bedrag van f 500,-- provisie bedongen had van [betrokkene 1] . Men zie de c.v.a. p. 2, alinea 2 en laatste alinea; c.v.repl. onder 2, tweede stuk.
bvan het eindarrest) [betrokkene 2] , als getuige gehoord, heeft verklaard dat [verweerder] aan hem, [betrokkene 2] , heeft toegezegd de zaak gerechtelijk aanhangig te maken en de ter zake te ontvangen schadeloosstelling te zullen doorbetalen. [betrokkene 2] zei (P.-V. van getuigenverhoor, blad 3 onderaan) dat hij in vertrouwen op deze uitvoering [verweerder] nog niet gerechtelijk had aangesproken. Deze gedachtengang is redelijk en niet onbegrijpelijk. Het Hof achtte voldoende dat [betrokkene 2] [verweerder] ter zake aansprakelijk houdt.
avan het eindarrest op grond van de daarin aangewezen rechtsoverwegingen 3
c- 3
evan het tussenarrest. Rechtsoverweging 3f van het tussenarrest, waarbij het Hof in dit verband de zienswijze van [verweerder] memoreerde “dat aan [betrokkene 1] ...... geen beroep toekomt op de omstandigheid, dat [verweerder] slechts als tussenpersoon optrad, daar [verweerder] duidelijk aan de vordering ten grondslag legt, dat hij op eigen naam kocht, waarbij hij optrad als commissionair voor de committent [betrokkene 2] , in welke rechtsverhouding geen rechtsband tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ontstond”, liet het Hof bij zijn eindarrest derhalve daarbij rusten. Het oordeel wordt mitsdien niet gedragen door zodanig rechtsoordeel, verbonden aan de rechtsfiguur van het commissionairscontract in het algemeen.
dvan het tussenarrest) op grond van de omstandigheid dat [verweerder] “zich gehouden acht het door hem op eigen naam (: als commissionair ten behoeve van [betrokkene 2] ) met garantie aangekochte en dienovereenkomstig doorverkochte paard, in verband met de gestelde wanprestatie terug te nemen”. De gestelde schadeposten dienen daarbij redelijkerwijs aan de orde te komen, aldus vervolgt het Hof.
avan het eindarrest aangeeft, een rechtsgevolg van de actuele commissieverhouding tussen [verweerder] en [betrokkene 2] . Het onderdeel schijnt hier een rechtens vrijblijvende mening (service uit commerciëel belang wellicht; vgl. Snijders, R.M.Th. 1969, p. 19/20) van [verweerder] te lezen en mist m.i. daarom feitelijke grondslag in de bestreden arresten.
dvan het tussenarrest; r.o. 12
avan het eindarrest), terwijl ten processe ook niet aannemelijk is geworden dat inderdaad een doorverkoop tot stand zou zijn gekomen. De klacht is blijkens de toelichting bij pleidooi (pleitnota p. 13) slechte voorgesteld voor zover ’s Hofs arrest op deze kwalificatie zou berusten. Ik meen evenwel dat dit niet het geval is.