Conclusie
Dit middel lijkt terecht voorgesteld, want het is mij gebleken, dat het zittingsproces-verbaal (van de Rechtbank van 3 augustus 1976) waarin wèl wordt gerept van mededeling van de korte inhoud van bedoelde stukken door de Griffie van het Hof abusievelijk niet was meegezonden. Weliswaar is het op mijn verzoek nagezonden, doch het komt mij voor, dat in dit stadium, nu de raadsman zijn middel al heeft ingediend en de zitting van Uw Raad (op 28 juni jl.) al geweest is bezwaarlijk meer acht geslagen kan worden op dit proces-verbaal (vgl. H.R. 26 okt. 1976, N.J. 1977, nr. 93), zodat het thans geacht moet worden überhaupt niet aanwezig te zijn geweest, en in elk geval van voorlezing enz. derhalve niet blijkt. Een alternatieve oplossing zou nog kunnen zijn, dat Uw Raad de zaak aanhoudt, en de raadsman alsnog gelegenheid geeft, na kennisname van het destijds ontbrekende stuk bij pleidooi eventuele (nieuwe) middelen voor te stellen. In casu zie ik echter niet zoveel voordeel voor een dergelijke uitweg, hetgeen uit het navolgende duidelijk zal worden.
Ik meen dat ook dit middel opgaat. Inderdaad ben ik met Z.E.G.A. van mening, dat zich deze telastelegging niet anders laat lezen dan dat het gewoontemaken heeft plaats gehad op de dagen waarop de diverse in de telastelegging vermelde transacties hebben plaats gevonden, welke wèl qua plaats en tijd zijn aangeduid.
in casu; zie echter ook: H.R. 27 juli 1895, W. 6711) òf aan beide apart (doch wel elkaar “dekkend”). Zie verder nog over het thema “gewoonte maken” Noyon-Langemeijer, zevende druk, II, pp. 724 en 763; III, p. 1350, alsmede een conclusie van het O.M. vóór H.R. 27 jan. 1970, N.J. 1970 no. 322.