ECLI:NL:PHR:1977:AC6104
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie wegens overschrijding termijn ondanks detentie verdachte
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een beroep in cassatie centraal. Het beroep was ingesteld tegen een arrest van het Hof van 9 mei 1977, maar werd pas op 25 mei 1977 ingediend, wat buiten de wettelijk voorgeschreven termijn van 14 dagen viel. De indiening geschiedde via een schriftelijk gemachtigde, een ambtenares van de griffie van het Hof, die door de verdachte, die in detentie zat in Rotterdam, was gemachtigd.
De vraag was of in dit geval een soepelere benadering van de ontvankelijkheid kon worden toegepast, zoals in eerdere arresten waarbij gedetineerden of gevallen van onjuiste ambtelijke informatie aan de orde waren geweest. De conclusie was dat dit niet het geval was, omdat de verdachte juist door de President van de strafkamer van het Hof was geïnformeerd over de termijn van 14 dagen.
Hoewel het mogelijk was dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het beroep tijdig was ingesteld, was deze dwaling niet aannemelijk gemaakt. Bovendien had de verdachte moeten beseffen dat een volmacht die op de laatste dag van de termijn werd ondertekend, onmogelijk tijdig bij het Hof in Amsterdam kon aankomen. De detentie van de verdachte speelde hierbij geen rol. Daarom werd geconcludeerd dat het beroep niet ontvankelijk was.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.