Conclusie
principalemiddel behelst de grief, dat de rechtbank aldus art. 1635 BW Pro heeft geschonden door te oordelen, dat wanprestatie door [betrokkene 1], gepleegd vòòr 12 februari 1974, grond zou kunnen opleveren voor tegen [eisers] uit te spreken ontbinding der huurovereenkomst en ontruiming door hen van het gehuurde. Nu zou de vraag kunnen rijzen of het middel wel feitelijke grondslag in het bestreden vonnis heeft. De rechtbank heeft zich immers niet letterlijk zo uitgedrukt als de hier bedoelde grief het formuleert. Het komt mij echter voor dat de rechtbank wel hetzelfde tot uiting heeft willen brengen. Zij heeft toch, blijkens de tweede in het middel geciteerde rechtsoverweging, de indeplaatsstelling van art. 1635 BW Pro beschouwd als een volledige overgang van alle rechten en verplichtingen, zowel de opeisbare als de niet-opeisbare, van de oude op de nieuwe huurder en in die zin als een volledige contractsoverneming. Deze visie houdt mede in dat de verhuurder een door de oude huurder reeds gepleegde wanprestatie, ernstig genoeg om een ontbinding- en ontruimingsvordering te dragen, ook tegen de nieuwe huurder kan aanvoeren als grondslag van zo'n vordering, en het is juist dit oordeel dat door het principale cassatiemiddel wordt aangevochten.
van rechtswegeten aanzien van de reeds opeisbare onderhoudsverplichtingen ten gevolge heeft, dat die op de nieuwe huurder komen te rusten, al dan niet met ontslag van de oude huurder uit die verplichtingen. Zowel F. Molenaar t.a.p. als H. van den Heuvel, Huurrecht in het BW (losbladig), no. 3 ad art. 1635 (verwijzende naar art. 49 Pachtwet Pro), schijnen die vraag in bevestigende zin te beantwoorden. Of de wetgever van art. 1635 zich Pro heeft willen spiegelen aan voor pacht geldende regelingen als de artt. 34 (“koop breekt geen pacht”) en 49 (pachtoverneming) Pachtwet, is niet duidelijk. Laatstgenoemd wetsvoorschrift spreekt in de leden 1 en 2 eveneens van “in zijn (de) plaats stellen”. Houwing-Rombach, Pachtwet (losbladig), no. 522 ad art. 49, schrijft dat art. 49 op Pro dit punt - anders dan art. 34 bij Pro overgang ten gevolge van eigendomsoverdracht - geen onderscheid tussen wel en nog niet opeisbare verplichtingen en rechten maakt. De Haan, Pachtrecht (p. 525) is daarentegen van mening dat men - bij stilzwijgen van de pachtkamer - mag uitgaan van een analogische toepassing van art. 34: geen Pro overgang van wat reeds opeisbaar is op het moment dat volgens vonnis of arrest de pachtoverneming ingaat; derhalve: een
beperktecontractsoverneming. De “indeplaatsstelling” treft men in het BW verder aan in de regels betreffende schuldvernieuwing (artt. 1449, 1452, 1454, 1457, 1458) en subrogatie (artt. 1436, 1437). Het gaat dan steeds om overgang van een bepaalde vordering of schuld, thans geregeld in titel 2 boek 6 NBW. Met betrekking tot de
schuldovernemingbepaalde het ontwerp-Meijers (art. 6.2.12 lid 1) dat “nevenverplichtingen” slechts op de nieuwe schuldenaar komen te rusten voor zover zij niet reeds opeisbaar waren op het tijdstip van de overgang der schuld. Het oorspronkelijke wetsontwerp nam deze redactie over. Bij het gewijzigde wetsontwerp (1975–1976, 7729 no. 8) werd een andere formulering ingevoerd - die tenslotte ook is aangenomen: “De bij de vordering behorende nevenrechten worden van het tijdstip van de overgang tegen de nieuwe in plaats van tegen de oude schuldenaar uitgeoefend.” (art. 6.2.3.12 lid 1). Er blijkt niet van enige bedoeling van de wetgever, de beperking tot
opeisbarenevenrechten te laten vervallen, en ik neem daarom aan dat die beperking is gehandhaafd.
contractsoverneming- die in beginsel de gehele rechtspositie van de contractspartij betreft - is geregeld in art. 6.2.3.14. Het tweede lid van dit voorschrift bepaalt, dat alle rechten en verplichtingen op de nieuwe contractant overgaan, voor zover niet ten aanzien van “bijkomstige” of
reeds opeisbaar gewordenrechten of verplichtingen anders is bepaald. Derhalve: indien niets uitdrukkelijk is overeengekomen nopens de reeds opeisbare verplichtingen, gaan deze over op de nieuwe contractant. De Toelichting-Meijers, p. 634–636, wijst op het verschil tussen cessies en schuldovernemingen enerzijds en contractsoverneming anderzijds: door contractsoverneming gaan niet alleen de afzonderlijke vorderingen en schulden stuk voor stuk over, maar de gehele rechtsverhouding, met inbegrip van de zgn. wilsrechten: zoals de bevoegdheid de overeenkomst te ontbinden wegens wanprestatie of te vernietigen wegens een vernietigbaarheid die is ontstaan bij het sluiten der oorspronkelijke overeenkomst.
eigenaar-koper van de (voormalige eigenaar-)verkoper (HR 19 april 1918, NJ 1918, 569), zodat de huurovereenkomst wordt voortgezet, maar die opvolging is er niet een in
allerechten en verplichtingen van de oude verhuurder als ware de nieuwe eigenaar diens erfgenaam (HR 13 nov. 1908, W 8764). De opvolging van art. 1612 BW Pro is beperkt tot de essentialia van de huurovereenkomst (HR 23 mei 1924, NJ 1924, 829) en is, als afwijking van art. 1376 BW Pro, niet uitgebreid tot bijv. een koopoptie (HR 5 jan. 1923, NJ 1923, 305) of tot een recht op reeds vervallen huurtermijnen (HR 13 nov. 1908, W 8764 voornoemd). Met betrekking tot achterstallig onderhoud dat voor rekening van de huurder kwam, besliste HR 24 januari 1929, NJ 1929, 869, met noot Scholten, dat de koper recht heeft bij het einde der huur te vorderen vergoeding van schade, die door gebrekkig onderhoud gedurende de gehele loop van de huur is ontstaan. De Hoge Raas baseerde dit oordeel op de overweging, dat de huurder verplicht was het gehuurde te onderhouden en bij het einde der huur in bruikbare en bewoonbare staat op te leveren, bij gebreke waarvan hij gehouden was tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen. Ik citeer uit de noot van Scholten: “Hier gaat het om de verwaarlozing van het gehuurde door den huurder. Beschouwt men deze als een wanprestatie die op het ogenblik dat zij geschiedt een recht van vorderen doet geboren worden, dan gaat dit recht niet over, let men echter, gelijk de Hoge Raad terecht doet, op de verplichting tot het in behoorlijke staat weder opleveren bij beëindiging van het huurcontract, dan doet niet-nakoming van deze verplichting een recht op vergoeding ontstaan op het ogenblik van die beëindiging en tegenover hem die dan huurder is.”
incidenteelvoorgedragen middel richt zich tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de door [verweerders] aan hun vordering in hoger beroep ten grondslag gelegde wanprestatie van [eisers], bestaande in contractueel verboden onderverhuur aan “[A] B.V.”. Hetgeen het middel te dien aanzien nader aanvoert
onder aontbeert naar mijn mening feitelijke grondslag. Mij dunkt dat uit niets blijkt dat de rechtbank uit het oog zou hebben verloren, dat het gebruik dat die B.V. van het gehuurde heeft, rechtens niet mag gelden als het genot van de huurders, of omgekeerd. Wat betreft het
onder baangevoerde, het stond aan de rechtbank als rechter die over de feiten oordeelt, vrij om “gezien alle voormelde omstandigheden” (7e r.o. klaarblijkelijk verwijzende naar de in de 6e r.o. vermelde omstandigheden), de verboden onderverhuur aan te merken als onvoldoende grond voor ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie; niet iedere wanprestatie kan ontbinding der overeenkomst rechtvaardigen (vgl. Asser-Rutten 4-II, 1975, p. 316–318, met vermelding van rechtspraak, en art. 6.5.4.6 NBW). De rechtbank heeft daarbij geenszins miskend dat die onderverhuur wanprestatie aan de zijde van [eisers] oplevert, en evenmin, dat het in beginsel niet is uitgesloten dat de thans kennelijk zeer nauwe banden tussen Luimé en de B.V. in de toekomst geslaakt worden. De rechtbank heeft klaarblijkelijk de enkele mogelijkheid van een dergelijke verandering in de toekomst - omtrent de waarschijnlijkheid waarvan niets is gesteld of gebleken - beschouwd als onvoldoende basis voor het aanwezig achten van een zodanig zwaarwegend belang van [verweerders], dat ontbinding op grond van de hier bedoelde wanprestatie zou behoren te volgen. Van een onjuiste rechtsopvatting is de rechtbank, naar het mij voorkomt, daarbij niet uitgegaan en tot een nader onderzoek, gelijk in het middel
onder cbepleit, dienaangaande was de rechtbank naar mijn mening niet gehouden. Ik lees de uitdrukkingen “aanwijsbaar” belang en “zwaarwegend” belang in de aangevallen overwegingen (de 5e en de 6e) als synoniemen en beschouw de motivering van de rechtbank op dit punt mitsdien niet als innerlijk tegenstrijdig of anderszins gebrekkig.