Conclusie
ad 1 - 4, uiteengezette systeem stemt overeen met de desbetreffende formulering van J.E.A.M. van Dijck, F. E. D., I.B.'64: Art. 24:15 v.: "Bezien van uit de bron moet beoordeeld worden of er een opbrengst is; deze opbrengst moet belast worden bij de rechthebbende, te weten hetzij de (blote) eigenaar hetzij degene die het genotsrecht heeft. In de systematiek van de vermogensbronnen is alleen opbrengst dat wat de bron zelf voortbrengt. Voordelen die met betrekking tot de bron ten opzichte van derden gerealiseerd worden zijn alleen belast, voor zover de wet zelf het objectieve mechanisme doorbreekt en een dergelijk voordeel tot het inkomen rekent. Wij vinden een dergelijke bepaling o.a. in art. 31 lid 3 Wet Pro I.B. (Een en ander wordt voorts doorkruist door) de specifieke regel van art. 27."
a enbvergelijkt met het onderhavige geval, dan is naar mijn mening de gelijkenis tussen het onderhavige geval en casuspositie a groter dan die tussen het onderhavige geval en casuspositie b, zulks in het bijzonder op grond dat het gehele verschil tussen de beurskoers en de koopprijs in het onderhavige geval toegerekend kan worden aan het tijdelijke genotsrecht. Ik meen dan ook, dat de belanghebbende het bedoelde verschil naar art. 31, lid 1, I.B.'64 genoot "ter vervanging van ... te derven inkomsten". Aangezien hetgeen genoten wordt, is de eigendom van de obligaties tegen betaling van een prijs, lager dan de waarde, komt als tijdstip van genieten naar art. 33, lid 1, letter a, I.B.'64 in aanmerking het tijdstip waarop de obligaties door de belanghebbende in eigendom werden "ontvangen", dat wil zeggen het tijdstip waarop de obligaties hem (constituto possessorio) werden geleverd.
concludeerik tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van f 165.188,-- , tariefgroep I, waarvan een bedrag van f 117.182,- - belast naar het tarief, bedoeld in art. 57, lid 2, I.B.'64 (zie mijn conclusie voor H.R. 23 juni 1976, B.N.B. 1976/199 met noot J. Hollander, blz. 836, regel 54, - blz. 837, regel 4).