Conclusie
onderdeel 1 van het middelgegrond te achten is. De overige klachten behoeven derhalve geen bespreking meer, nu deze uitsluitend varianten op de klacht in het eerste onderdeel inhouden.
Parket bij de Hoge Raad
De Gemeente Beverwijk verkreeg in november 1975 de eigendom van een pand verhuurd aan een huurder voor bedrijfsruimte. De Gemeente wilde het pand afbreken in verband met een bestemmingsplan en verzocht ontbinding van de huurovereenkomst met ontruiming. De huurder stelde dat art. 1636b BW niet van toepassing was bij opzegbare huur en dat de opzegtermijn van minimaal een jaar moest worden gerespecteerd, met schadeloosstelling volgens art. 1636a BW.
De Kantonrechter wees de ontbinding toe, maar de Rechtbank vernietigde dit vonnis en oordeelde dat art. 1636b BW niet toepasselijk was bij opzegbare huur van bedrijfsruimte. De Hoge Raad stelde echter dat art. 1636b BW juist bedoeld is om via minnelijke aankoop dezelfde bescherming te bieden als bij onteigening, ook indien de huur opzegbaar is.
De Hoge Raad benadrukte dat de tekst en strekking van art. 1636b BW geen beperking tot niet-opzegbare huur bevatten en dat de regeling bedoeld is om de opzegtermijn te kunnen doorbreken na minnelijke verkrijging, met een door de rechter vast te stellen datum van ontbinding en schadeloosstelling. De zaak werd vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest vernietigt het vonnis van de Rechtbank en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met toepassing van art. 1636b BW op opzegbare huur.