Conclusie
middel Ibehelst motiveringsklachten tegen de in r.o. 10 getrokken conclusie, dat [verweerster] verplicht was om voor IVA arbeid te verrichten. De rechtbank heeft m.i., aldus de overeenkomst uitleggende, een zuiver feitelijk oordeel geveld. De vraag rijst of onderdeel (a) niet afstuit op de in een aantal arresten neergelegde leer, dat niet, ook niet langs de weg van een motiveringsklacht, met vrucht aan het oordeel van de cassatierechter kan worden onderworpen de vraag of de gronden, die de rechter voor zijn feitelijke beslissing heeft gegeven, deze beslissing rechtvaardigen (HR 17 februari 1950, NJ 1950, 387; 7 december 1956, NJ 1957, 7; 1 november 1957, NJ 1957, 643; 18 december 1959, NJ 1960, 81; 9 november 1962, NJ 1962, 487; 20 december 1963, NJ 1964, 122; 1 december 1972, NJ 1973, 105). Een legitieme wedervraag is, of toetsing in cassatie van de door de feitenrechter aan een overeenkomst gegeven uitleg niet reeds meermalen mogelijk is geacht door Uw Raad, zie HR 1 juli 1977, NJ 1978, 125, met de noot van Scholten, alsmede Rutten in de bundel ‘’Rechtspleging’’ — 1977 — p. 237 e.v., Kluwers losbladig ‘’Contractenrecht’’ IV nrs. 101 en 103 en Zonderlands ‘’recht-feit-travestie’’ (NJ 1978, p. 9 rechts). Ik moge dit punt verder laten rusten en ervan uitgaan, dat de door het onderdeel gewenste toetsing op onbegrijpelijkheid in cassatie in beginsel niet is uitgesloten.
heeft. Hieruit alsmede uit de eerderbedoelde omstandigheid dat IVA bijzonder gebaat was, enz., en ‘’recht en belang’’ had bij ‘’een zekere mate van continue beschikbaarheid’’ van [verweerster] , en uit de toelichting in het contract, heeft de rechtbank klaarblijkelijk afgeleid dat [verweerster] ‘’slechts sporadisch’’ — d.w.z. slechts bij uitzondering — een snipperdag
mochtopnemen.
onderdeel (a) niet gegrond is.
middel IIklaagt voorts over onbegrijpelijkheid van der rechtbank beslissing, dat tussen partijen vaststaat ‘’dat voor het uitvoeren van het ponswerk duidelijke instructies moesten worden gegeven door IVA, hetgeen door [betrokkene 1] werd gedaan’’. Deze vaststelling zou onbegrijpelijk zijn in het licht der gedingstukken, nu IVA zulks bij herhaling heeft betwist, en bewijs van haar stellingen heeft aangeboden. Ter ondersteuning van deze klacht worden een aantal door IVA gevoerde stellingen uit haar memorie van antwoord in hoger beroep en haar dupliek in prima geciteerd. Daaraan kan worden toegevoegd het gestelde onder nr. 6 in de conclusie van antwoord in eerste aanleg. Ik moge volstaan met deze verwijzingen. Hieruit, en uit de stellingen van [verweerster] blijkt dat door partijen uitvoerig is gedebatteerd over de vraag of er wel of niet een gezagsverhouding, voor [verweerster] meebrengende ondergeschiktheid en de verplichting aanwijzingen en instructies van IVA op te volgen, bestond. Gelet op dat debat acht ik de onderhavige klacht gegrond en de beslissing van de rechtbank, die zonder IVA's stellingen gemotiveerd te verwerpen en zonder haar toe te laten tot bewijslevering overeenkomstig haar aanbod, tot de vaststaande feiten heeft gerekend ‘’dat voor het uitvoeren van het ponswerk duidelijke instructies moesten worden gegeven door IVA, hetgeen door [betrokkene 1] werd gedaan’’, onbegrijpelijk althans niet naar de eis der wet met redenen omkleed, nu het hier immers een essentieel punt betreft. Dat zou slechts dan niet tot vernietiging van het bestreden vonnis behoren te leiden indien IVA's betwisting reeds wordt ontzenuwd door de in cassatie vaststaande gegevens inzake aard en inhoud van de schriftelijke overeenkomst. Dit laatste is echter m.i. niet het geval. Wat aard en strekking van de overeenkomst betreft, het is althans mij niet bekend of een (ervaren) ponstypiste voor de wijze van uitvoeren van werkzaamheden als de ten processe bedoelde nadere instructies behoeft. Ook de inhoud van de schriftelijke overeenkomst verschaft m.i. dienaangaande onvoldoende opheldering. Een nader feitelijk onderzoek zal nodig zijn. Het werktempo was, gelijk de rechtbank in r.o. 15, laatste zin, overweegt en in r.o. 16 uitwerkt, gebonden aan een dagminimum, maar dat minimum was contractueel vastgelegd en vormt m.i., ook beschouwd in verband met de omstandigheid dat de door [verweerster] en [betrokkene 2] verrichte werkzaamheden tot de gewone bedrijfsarbeid van IVA behoorden, een te zwakke basis om, gezien het uitvoerige debat tussen partijen daaromtrent, een gezagsverhouding als ten processe vaststaand aan te nemen. Ook in dit verband verwijs ik naar HR 30 maart 1955, NJ 1955, 341: beslissend is niet of de werkzaamheden min of meer nauwkeurig zijn omschreven (bv. ten aanzien van de minimale omvang van de dagelijkse produktie; interpolatie van mij, F.) maar of de ‘’werknemer’’ verplicht is opdrachten of aanwijzingen van de wederpartij te volgen. Gegrondheid van de onderhavige klacht zal moeten leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing naar het gerechtshof van het ressort ten einde IVA in staat te stellen het aangeboden bewijs te leveren.
onderdeel (b)een grief tegen r.o. 15 voor zover daaraan — voor de beantwoording van de vraag of er tussen partijen een gezagsverhouding bestond — betekenis wordt toegekend aan de omstandigheid dat de door [verweerster] en [betrokkene 2] verrichte werkzaamheden behoorden tot de gewone bedrijfsarbeid van IVA. Het is mogelijk dat de rechtbank daarbij art. 7.10.1.1., tweede lid, ontwerp-NBW voor ogen heeft gehad: ‘’Hij die ter plaatse waar iemand zijn beroep of bedrijf uitoefent, onder leiding tegen beloning arbeid verricht,
die gewoonlijk in een zodanig beroep of bedrijf wordt verricht, wordt vermoed met die persoon een arbeidsovereenkomst te hebben gesloten.’’ (curs. F.). Blijkens de Toelichting (p. 1040) gaat het hier echter om een andere casus, nl. waarbij personen aangenomen worden door tussenpersonen zoals ‘’krooi- of koppelbazen....’’. Hoe dit ook zij, de rechtbank heeft naar mijn mening de hier bedoelde omstandigheid zonder schending van enige rechtsregel kunnen opvatten als steun voor haar oordeel (r.o. 17), dat door IVA over [verweerster] gezag werd uitgeoefend. Aannemelijk is dat de rechtbank tot uiting heeft willen brengen dat [verweerster] het werk deed van een gewone ondergeschikte. Deze klacht lijkt mij dan ook niet gegrond.
onderdeel (b)mist m.i. doel. De in r.o. 15 vermelde omstandigheid ‘’dat IVA bij het aanvoeren van het werk uitging van een minimale produktie per dag van ± 1500 kaarten ± 40 kolommen, waardoor het aantal per dag te werken uren nader werd bepaald’’, is door de rechtbank in r.o. 16 nader besproken en uitgelegd als indicatie van [verweerster]
verplichtingdie minimale dagproduktie te halen. Aldus heeft de rechtbank een begrijpelijke beslissing gegeven houdende gemotiveerde verwerping van IVA's standpunt dat het hier slechts om een ‘’indicatie’’ ging bij welk produktieniveau het thuiswerk voor IVA zinvol was, en zodoende om een aan [verweerster] vakbekwaamheid te stellen eis. De rechtbank heeft in die omstandigheid meer gezien, nl. niet slechts de eis dat [verweerster] in staat was de minimale produktie te leveren maar bovendien dat zij ook contractueel verplicht was die te leveren. De hier bestreden, feitelijke beslissing van de rechtbank is niet onbegrijpelijk en behoefde m.i. geen nadere motivering. Tot het opdragen van bewijslevering aan IVA was de rechtbank ten deze dunkt me, niet gehouden.
middel Iklaagt over de tweede zin van r.o. 17. De omstandigheid dat het loon van [verweerster] en [betrokkene 2] gebaseerd was op een bepaald bedrag per geponste kaart, welk bedrag door IVA per project in overleg met [verweerster] en [betrokkene 2] werd vastgesteld, zou volgens deze klacht uitsluiten dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten. Hieraan ligt ten grondslag de opvatting dat aldus het loon niet voldoet aan de door art. 1637 q BW gestelde eis van bepaaldheid of bepaalbaarheid. Deze opvatting kan naar mijn mening niet worden aanvaard. Genoemde wetsbepaling eist niet dat het loon op een van te voren te berekenen geldsbedrag wordt vastgesteld, maar laat toe overeen te komen dat het loon nader wordt vastgesteld door de werkgever, al dan niet rekening houdend met de uitkomsten van de arbeid (HR 19 februari 1915, NJ 1915, 533; HR 21 februari 1947, NJ 1947, 154) van ‘’project’’ tot ‘’project’’. Die vaststelling moet geschieden met inachtneming van de goede trouw (Asser-De Leede, Bijzondere overeenkomsten III — 1977 — p. 126; v. d. Grinten, ‘’Arbeidsovereenkomstenrecht’’ — 1976 — p. 23; Kamphuisen, ‘’De collectieve en de individuele arbeidsovereenkomst’’ — 1956 — p. 112). Het is kennelijk hierop dat de rechtbank heeft gedoeld in de bestreden rechtsoverweging. Het onderdeel loopt daarop vast.
zal ik uitgaan van de veronderstelling dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst is. Strikt genomen zou Uw Raad dit middel buiten behandeling kunnen laten indien reeds, gelijk ik meen, wegens gedeeltelijke gegrondheid van middel I, onderdeel (b), vernietiging en verwijzing moeten volgen.
dezeklacht bepaaldelijk niet in het middel kan worden gelezen.
middel IIkeert zich tegen de in r.o. 21 opgenomen overweging, dat uit de in het contract opgenomen toelichting op de bepaling ‘’geen produktie — geen loon’’ niet blijkt dat partijen bedoeld hebben art. 1638 d BW uit te sluiten. Deze klacht komt m.i. vruchteloos op tegen een niet onbegrijpelijk en geen nadere motivering behoevend oordeel van feitelijke aard. Bedoelde ‘’toelichting’’ luidt, blijkens r.o. 2: ‘’Dus: geen doorbetaling bij: snipperdagen, vakantiedagen, feestdagen.’’ De rechtbank heeft hier een uitputtende opsomming in kunnen zien. De aanduiding ‘’free-lance’’-overeenkomst is niet eenduidig en sluit een — aan art. 1638 d onderworpen — arbeidsovereenkomst niet uit. Kennelijk is de rechtbank er van uitgegaan, dat partijen in de onderhavige overeenkomst aan de notie ‘’free-lance’’ een beperkte betekenis hebben toegekend, nl. waar in het contract wordt gesteld: ‘’De free-lance-basis impliceert: geen produktie — geen salaris (behalve bij ziekte).’’, waarop volgt de reeds geciteerde ‘’toelichting’’. Meer dan uitsluiting van betaling bij snipper-, vakantie- en feestdagen hebben partijen, naar het oordeel van de rechtbank, niet bedoeld met de term ‘’free-lance’’-basis.
middel IIdaarentegen acht ik gegrond. IVA heeft, blijkens haar in dat onderdeel geciteerde stellingen, ten verwere aangevoerd dat zij niet verplicht was aan [verweerster] ook na de verhuizing naar [plaats] thuiswerk aan te bieden. Vgl. de dupliek in eerste aanleg, onder nr. 5. Er kan van IVA, aldus de conclusie van antwoord in prima onder nr. 10, niet worden gevergd dat zij dagelijks op en neer naar [plaats] reist om daar het werk van [verweerster] op te halen. Ook dit verweer is niet prima facie ongegrond en van zo wezenlijk belang, dat de rechtbank daaraan niet, gelijk zij heeft gedaan, zonder meer voorbij had mogen gaan. [verweerster] heeft o.m. tegengeworpen dat IVA bij het sluiten van de overeenkomst wist van het voornemen van [verweerster] en [betrokkene 2], naar [plaats] te verhuizen, en daarmee instemde. De feitenrechter zal ten deze nader moeten beslissen.