ECLI:NL:PHR:1978:AC6427
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proefperiode en looptijd huurovereenkomst bedrijfsruimte volgens art. 1625 en 1630 BW
In deze zaak stond centraal of een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte met een proefperiode van onbepaalde duur onder de vijfjarige termijn van artikel 1625 BW Pro valt, of dat artikel 1630 BW Pro van toepassing is met een maximale looptijd van twee jaar.
De huurder had een herenkapsalon gehuurd en wilde eerst de rendabiliteit van de zaak beoordelen in een proefperiode. De verhuurder stelde dat de overeenkomst voor vijf jaar gold en eiste betaling van huur over die periode. De huurder stelde dat sprake was van een proefperiode en dat de overeenkomst korter dan vijf jaar was, waarop de kantonrechter oordeelde dat de proefperiode niet exact was vastgesteld en dat de huurovereenkomst niet voor vijf jaar gold.
De rechtbank bepaalde dat de overeenkomst een looptijd van twee jaar had volgens artikel 1630 BW Pro, omdat partijen geen vaste termijn hadden afgesproken. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank de wetsgeschiedenis van art. 1630 BW Pro verkeerd had geïnterpreteerd en dat een proefperiode als voorlopige huurovereenkomst ook voor kortere termijnen kan gelden, waarbij stilzwijgende verlenging mogelijk is. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde het vonnis van de kantonrechter dat de huurder de proefperiode rechtsgeldig had kunnen beëindigen en dat geen huur over vijf jaar verschuldigd was.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de huurder de proefperiode rechtsgeldig kon beëindigen en vernietigt het vonnis van de rechtbank dat huur over twee jaar verschuldigd zou zijn.