ECLI:NL:PHR:1979:AC0769

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 maart 1979
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
5149
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 B.W. IIArt. 16 B.W. IIArt. 140 Sr
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in zaak verboden vereniging Nederlandse Volks-Unie

De Officier van Justitie had bij de Rechtbank een vordering tot ontbinding van de Nederlandse Volks-Unie (NVU) ingediend. De Rechtbank wees deze vordering af, maar stelde wel vast dat de NVU een verboden vereniging was zoals bedoeld in art. 15 B.W. II. De NVU ging in hoger beroep tegen deze beschikking en vorderde dat het hof het vonnis van de Rechtbank zou vernietigen en de NVU niet als verboden vereniging zou aanmerken.

Het Hof verklaarde het hoger beroep van de NVU niet-ontvankelijk, omdat het appel zich niet richtte tegen de afwijzing van de vordering tot ontbinding, maar tegen de overwegingen waarin de NVU als verboden vereniging werd aangemerkt. De NVU stelde in cassatie dat het haar belang was dat de bindende uitspraken over het verboden zijn van de vereniging uit de beschikking zouden verdwijnen.

De Hoge Raad oordeelde dat deze overwegingen geen werkelijk bindende vaststelling vormen en dat het hof niet verplicht was deze te schrappen. Er waren geen administratiefrechtelijke of strafrechtelijke consequenties verbonden aan deze uitspraak. Daarom werd het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Nederlandse Volks-Unie werd verworpen en het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

Nr. 5149/1349 request.
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
De Nederlandse Volks-Unie.
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak is, voorzover ik zie, het volgende aan de hand: De Officier van Justitie heeft een vordering bij de Rechtbank ingediend strekkende tot ontbinding van de N.V.U. Vgl. art. 16 B.W. II. De Rechtbank wees deze vordering af, waarbij zij overwoog dat de N.V.U. zo nauw verbonden was met een Stichting, dat ontbinding van alleen de N.V.U. h.i. niet goed mogelijk was enz. Zie N.J. 1978, no. 281, met noot van Wachter. De Rechtbank heeft echter wel vastgesteld (overwogen) op grond van tal van facta en gesta dat het hier een verboden vereniging betrof als bedoeld in art. 15 B.W. II. De N.V.U. heeft zich tegen de beschikking voorzien van hoger beroep vorderende, voorzoveel hier van belang, dat het Hof het vonnis van de Rechtbank zou vernietigen, de eis van het O.M. zou afwijzen en in de motivering de N.V.U. niet als een verboden vereniging zou aanmerken. Het Hof heeft de N.V.U. evenwel in zijn beroep niet ontvangen, stellende, dat het appel zich niet richt tegen de afwijzing van de vordering van de Officier, of van de grond, waarop deze afwijzende beslissing berust, maar tegen de overwegingen op grond waarvan de Rechtbank de N.V.U. als een verboden vereniging aanmerkte. Tegen deze beschikking is de N.V.U. in cassatie gegaan, stellende, dat het haar belang was, dat bij behoud van het dictum zekere, haar bindende, uitspraken uit de overwegingen van de beschikking van de Rechtbank zouden verdwijnen, nl. die betrekking hebben op het verboden zijn van haar als vereniging.
Het komt mij voor, dat het middel faalt. Nu het hier niet ging om een werkelijk bindende vaststelling door de Rechtbank, maar slechts om een ‘’uitspraak’’ waaraan evenmin administratiefrechtelijke of strafrechtelijke consequenties zijn verbonden (zo zal de strafrechter, indien het bestuur van de N.V.U. ex art. 140 Sr Pro. vervolgd zou worden, geenszins aan
dezejudiciele constatering nopens het ‘’verboden’’ zijn van de vereniging gebonden zijn), hoefde het Hof niet te voldoen aan het verzoek van de N.V.U. de betrokken overwegingen uit de beschikking te schrappen. Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 24 mei 1927, W. 11730 en Centrale Grondkamer 1 maart 1948, N.J. 1948, no. 691. Ook Cleveringa, I, p. 841 rept over
‘’bindendeuitspraken uit de overwegingen’’.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
Parket, 19 december 1978.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,