ECLI:NL:PHR:1979:AC2294
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huur en verhuur van bedrijfsruimte met onzelfstandige dienstwoning in arbeidsrelatie
In deze zaak stond centraal of een onzelfstandige woning, behorende bij een gehuurde bedrijfsruimte, onder de huurrechtelijke bepalingen voor bedrijfsruimte valt of als dienstwoning moet worden beschouwd. [Eiser] was bedrijfsleider bij [verweerster] B.V. en woonde in de woning direct verbonden aan het restaurant dat de B.V. exploiteerde. Na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op staande voet vorderde de B.V. ontruiming van de woning.
De President wees de vordering af, maar het Hof gaf de ontruiming alsnog toegewezen. Het Hof oordeelde dat de woning ter beschikking was gesteld in het kader van de arbeidsrelatie en dat het recht op verblijf in de woning verviel bij het einde van de dienstbetrekking. De woning werd als dienstwoning aangemerkt, waarbij eventuele huurelementen van geringe betekenis waren en de arbeidsovereenkomst de kern vormde.
In cassatie werd aangevoerd dat de woning deel uitmaakte van de bedrijfsruimte en dus onder de huurregels van art. 1624 e.v. BW viel. De Hoge Raad verwierp dit, stellende dat de huurrechtelijke bepalingen alleen van toepassing zijn op huurovereenkomsten die de huurder het gebruik van het gehuurde voor bedrijfsdoeleinden geven. Hier was geen sprake van een huurverhouding tussen partijen, maar van een arbeidsrelatie waarbij het woonrecht voortvloeide uit de dienstbetrekking.
De Hoge Raad bevestigde dat de onzelfstandige woning niet los van de bedrijfsruimte verhuurd was en dat de regeling van art. 1624 BW Pro niet van toepassing is op dienstwoningen die verbonden zijn aan een arbeidsovereenkomst. Het beroep van eiser werd verworpen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de woning een dienstwoning is verbonden aan de arbeidsovereenkomst, waardoor het recht op verblijf verviel bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst.