Conclusie
Anders: Pres. Rb. Groningen 4 januari 1972, N.J. 1972 no. 101; Pres. Rb. 's-Gravenhage 28 november 1968, N.J. 1968 no. 444, A.A. 1969 (XVIII), p. 52 (J. Wiarda), die beiden aan voormeld aspect evenwel geen aandacht besteden. Vgl. over vraagstukken als deze met betrekking tot dagvaarding van (publiekrechtelijke) rechtspersonen in het algemeen: van Rossem-Cleveringa I (1972), aant. 4 en 5 bij art. 5, p. 117 e.v. resp. p. 130 e.v., Star Busmann-Rutten-Ariens (1972), nrs. 135–138.
het eerste cassatiemiddelgericht.
,
moet het, naar het voorkomt,
mogelijk zijn,
hemformeel
te ontheffen van de verplichting zijn kennis van die leerstof opnieuw paraat te maken’’.
onderdelen 2 van dit middel en van middel II, die op de stelling van onderdeel 1 voortbouwen, behoeven derhalve geen bespreking meer.
middel II. Vaststaat dat de faculteit geen vrijstelling heeft verleend, noch in 1971 noch in 1976 (r.o. 6). De vraag blijft echter, of de faculteit zich zo heeft gedragen dat [eiseres] kon en mocht vertrouwen dat die vrijstelling in 1971 wel was of later zou worden verleend. In dit verband is van belang dat [eiseres] op haar vertrouwen heeft voortgebouwd, en kan voorts van belang zijn althans de situatie accentueren dat het ook voor de faculteit duidelijk geweest moet zijn uit het gedrag van [eiseres] dat zij dat vertrouwen had en op grond daarvan haar tijd in haar studie investeerde. Reeds hierom faalt
onderdeel 3en — voor zover daarin een klacht bedoeld is — ook
onderdeel 1 van middel II.
onderdeel 4, 10 en 11, tweede alinea van middel II, genoemde brief, door het Hof in r.o. 1 geciteerd, volgt niet noodzakelijkerwijs dat de faculteit als zodanig was geraadpleegd en dat deze op de vraag had beslist. Reeds daarom missen ook deze onderdelen doel. Het betreft hier een aan het Hof overgelaten feitelijke waardering, die in het kader van een soort kort geding ook niet tot een nader feitelijk onderzoek behoefde te leiden.
onderdeel 5kan [eiseres] derhalve niet baten.
de onderdelen 6–9 van middel IIkunnen derhalve niet tot cassatie leiden.
onderdeel 11zij vooreerst aangetekend dat het feit dat [eiseres] bij haar uitgangspunt van haar handelen het op zichzelf in cassatie niet althans niet gemotiveerd bestreden verschil tussen toelaten tot de studie en toelaten tot het doctoraal-examen niet heeft onderkend, niet alleen doorslaggevend is. Voorts zij opgemerkt dat het Hof in r.o. 7 e.v. uitvoerig uiteengezet heeft dat er geen beslissing van de faculteit is geweest. De verwijzing in r.o. 6 bij het oordeel op de appelgrief IIa naar het reeds genoemde op zichzelf niet onjuiste, maar in casu verwarrende verschil tussen toelaten tot de studie en toelaten tot het doctoraal examen moet aldus worden opgevat als een verwijzing naar het in r.o. 10 nader besproken gebeuren, dat hierboven reeds eerder aan de orde was. Ook de klacht in dit onderdeel faalt derhalve.