ECLI:NL:PHR:1979:AC6648
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gebruik dienstwoning na beëindiging arbeidsovereenkomst en huurbescherming
In deze zaak stond centraal of de werknemer, die tot 1 maart 1978 als landarbeider in dienst was, de door de werkgever ter beschikking gestelde woning na het einde van de arbeidsovereenkomst als dienstwoning moest ontruimen of dat hij zich op huurbescherming kon beroepen.
De President van de Haarlemse Rechtbank oordeelde negatief over het bestaan van een dienstwoning, maar het Hof vernietigde dit en beval ontruiming, omdat het bewonen van de woning noodzakelijk was voor de goede vervulling van de arbeid. Het Hof stelde vast dat de werkgever de woning had aangewezen met het oog op de aard van de arbeid, waardoor het bewonen van de woning tot de verplichtingen uit het dienstverband behoorde.
De Hoge Raad bevestigde dat dit oordeel in lijn is met het criterium uit het arrest van 1961, waarin werd bepaald dat bij een dienstwoning het genot van de woning en de aanvaarding daarvan door de werknemer kenmerken van een huurovereenkomst missen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof als feitenrechter niet tekortgeschoten is en dat de werknemer de woning moet ontruimen.
De conclusie van de Procureur-Generaal was om het beroep te verwerpen en de kosten aan de zijde van de niet verschenen verweerders op nul te stellen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de werknemer de dienstwoning na het einde van het dienstverband moest ontruimen.