Conclusie
middel 1.
agestelde vraag sprake is van een aantal stieren, waarvan de oudste nog geen acht maanden oud is, menen deskundigen de hen voorgelegde vraag sub
a, met "neen" te moeten beantwoorden.
niethet in de vraagstelling onder a bedoelde verwijt treft. Het Hof geeft dat oordeel na te hebben vastgesteld dat eiser (lees: tot aan het pleidooi in hoger beroep; F.) slechts één concreet bezwaar tegen het rapport heeft aangevoerd, nl. tegen de constatering door deskundigen dat de A.P.V. van [woonplaats] een art. 28 sub Pro 1 bevat, welk bezwaar het Hof ecarteert als gericht tegen een "verwijzing kennelijk ten overvloede en bij wijze van illustratie" (tweede "dat" van de rechtsoverweging op de vijfde appèlgrief, in verband met het zesde "dat" van de rechtsoverweging op de eerste, tweede en derde appèlgrief). Gelet op deze stand van het aan het pleidooi voorafgaande debat kon het Hof, als iudex facti oordelend over de bewijskracht van het "deskundigenrapport" volstaan met de conclusie daarvan, hoe summier die ook was geformuleerd, te onderschrijven. Het Hof behoefde zich daarbij niet te verdiepen in diverse vormen van door verweerder eventueel begane nalatigheden nu daaromtrent door eiser niets was gesteld. Weliswaar brengt het schuldvermoeden van art. 1404 B.W. mee dat stelplicht en bewijslast ten aanzien van het ontbreken van ‘’iedere nalatigheid’’ aan zijn kant in beginsel bij
verweerderlag (H.R. 1 juli 1977, N.J. 1978, 73), maar het Hof heeft terecht het standpunt ingenomen dat, met een deskundigenrapport als het onderhavige op tafel, het op de weg van
eiserlag om nadere schuldfeiten te stellen. Door het rapport is de stelplicht weer teruggelegd op eiser.
nietnadere maatregelen behoefde te nemen ter voorkoming van ongelukken als de onderhavige. Een dergelijke — denkbare — gedachtengang zou dan kunnen stoelen op de opvatting, dat weliswaar van jonge stieren als de onderhavige (die volgens de door het Hof naar aanleiding van de vierde appèlgrief geformuleerde "algemene ervaringsregel" minder gevaar opleveren dan volwassen dieren) niet kan worden gezegd dat er nimmer enig gevaar, hoe gering ook, van kan uitgaan, maar dat dat gevaar zich niet zodanig manifesteert dat de eigenaar/houder die dieren niet vrij mag laten rondlopen in een afgesloten stuk weiland dat uitsluitend toegankelijk is voor de belanghebbende op een daarop gelegen overpad ("reed"), van welke rechthebbende men immers inzicht in de plaatselijke situatie en daarop afgestemde voorzichtigheid mag verwachten. Ik meen echter dat een dergelijke gedachtengang in 's Hofs arrest niet valt te lezen. Het Hof heeft, in de rechtsoverweging op de vijfde appèlgrief, uitdrukkelijk overwogen dat het aan de onderhavige stellingen van eiser "zal voorbijgaan", en is mitsdien aan een inhoudelijke beoordeling van die stellingen niet toegekomen. Het Hof heeft, dunkt me, dan ook
nietbeslist dat bedoelde stellingen door het deskundigenrapport zijn weerlegd.
middel 3, waarin met een beroep op H.R. 6 april 1979, R.v.d.W. 1979 nr 59, wordt aangevoerd dat het Hof niet
mochtvoorbijgaan aan meerbedoelde, voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep aangevoerde stellingen. Voor deze materie zij voorts verwezen naar Vriesendorp, "Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden in het burgerlijk geding" (diss. 1970), nr. 135; Veegens, "Cassatie" (1971) nr. 155 (p. 253); de noot van Haardt, sub 1, onder H.R. 6 december 1974, N.J. 1975, 435, met vermelding van enige andere arresten. H.R. 6 april 1979, R.v.d.W. 1979, 59, overweegt: ‘’Het Hof heeft in zijn rechtsoverweging 30 geoordeeld
dat "het pleidooiniet de plaats is om nieuwe feiten te stellen". Deze stelling is in haar algemeenheid onjuist. Wel brengen regels van een goede procesorde mee dat de rechter eerst bij pleidooi gestelde feiten ter zijde kan laten op de grond dat de tegenpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren of dat zij een nader onderzoek nodig zouden maken waarvoor het betreffende geding geen gelegenheid meer biedt. Uit de voormelde overweging van het Hof blijkt niet dat dit geval zich hier voordeed." Voor de beantwoording van de vraag, welke betekenis dit arrest voor de onderhavige zaak heeft, is m.i. het volgende van belang. Bij conclusie van antwoord in eerste aanleg (p. 2) heeft verweerder gesteld: "Temeer nu het betreffende beest tevoren nimmer een extra agressief gedrag had getoond". Verweerder heeft niet gedupliceerd. In zijn pleitnota (eerste aanleg; p. 2) deelt hij mee dat hij zelf nooit iets had gemerkt of vernomen van afwijkend of agressief gedrag van een of meer van de bewuste stierkalveren. Voorts bevat deze pleitnota (op p. 5) de opmerking dat het terdege van belang is "na te gaan welk soort dier eiser heeft aangevallen omdat voor elk beest andere vormen van voorzorg en waakzaamheid nodig zijn". Aldus kan men zeggen dat de eventuele bijzondere gevaarlijkheid van met name de ten processe bedoelde stier reeds in eerste instantie door verweerder te sprake is gebracht. Het was in hoger beroep geen nieuwe kwestie. Mij begevend op feitelijk terrein merk ik op dat eiser, in zijn toelichting op appèlgrief 5 stellende: "Hiermede is evenwel niets gezegd omtrent de mogelijke agressiviteit van de betreffende stier", op dit punt is ingegaan en aldus de door verweerder reeds in eerste instantie geopende rechtsstrijd over de gevaarlijkheid van de bewuste stier heeft aanvaard. Uit verweerders reactie (memorie van antwoord, p. 5) blijkt dat hij ook in hoger beroep de mogelijke agressiviteit van de betreffende stier als onderwerp van debat heeft beschouwd (aanvaard). Uit een en ander concludeer ik dat
dezekwestie ten tijde van het pleidooi in hoger beroep geen novum vormde en dat de eisen van een goede procesorde zich er niet tegen verzetten, een nader onderzoek dienaangaande in te stellen. Als een feitelijk novum kan eventueel slechts gelden de stelling dat er, gelet op de plaatselijke
situatiezoals door mij eerder beschreven, extra gevaar bestond en mitsdien grond voor bijzondere maatregelen. Nu rijst de vraag of eiser heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot de kwestie welke bijzondere maatregelen door verweerder hadden behoren te zijn getroffen. Eiser heeft in dit verband verweerder verweten dat hij stieren zomaar los in het weiland liet rondlopen terwijl hij wist dat er mensen (rechthebbenden) door dit weiland zouden lopen (memorie van grieven, laatste bladzijde). M.i. geeft eiser hiermee te kennen dat verweerder de kalveren niet vrij had mogen laten rondlopen en hen had moeten beletten de "reed" te betreden, bijv. door de kalveren aan een lijn vast te maken of door de "reed" op afdoende wijze van de rest van het weiland af te schermen. Maar ook al valt dat laatste zo concreet niet in de stellingen van eiser te lezen, naar mijn mening heeft eiser door te attenderen op de (te) grote vrijheid van de dieren ten deze aan zijn stelplicht voldaan. Hierbij komt dat de gevaarlijkheid van de bewuste kalveren niet los staat van de bijzondere situatie ter plaatse maar daardoor mede wordt, althans kan worden bepaald. In die zin is laatstbedoelde kwestie evenmin als een processueel novum te beschouwen als de eerste (de gevaarlijkheid van het desbetreffende stierkalf).
middel 3, en daarmee ook
middel 2, ten dele gegrond.