Conclusie
verwachtenis (cursivering door mij, Hk.). Doch dit hangt wellicht samen met de MvT ten aanzien van art. 42 (oorspronkelijk art. 38), waarin wordt gezegd, dat de burgemeester contact opneemt met de in het derde lid genoemde autoriteiten, ‘’indien het door het incident geschapen gevaar blijft aanhouden.’’ Merkwaardig is wel, dat de wet in art. 42 lid 3 niet Pro rept van contact, pas bij aanhoudend gevaar, doch aan de burgemeester de plicht oplegt om omtrent de stand van zaken onverwijld mededeling te doen aan de Commissaris van de Koningin nadat van het incident aangifte is gedaan door degene die de inrichting drijft of door het toezichthoudend personeel. Zou Drupsteen zijn afgegaan op de MvT en niet op de wettekst, dan ligt het in de rede, dat hij het woord 'duchten' waarschijnlijk wel uitlegt als 'vrezen', overeenkomstig de betekenis die aan dit woord volgens algemeen spraakgebruik gehecht moet worden, maar dat hij bij aanhoudend gevaar deze vrees interpreteert als een zekere verwachting. Nadere motivering wordt door Drupsteen niet gegeven.
dreigtte worden verontreinigd, ook niet als de lucht zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat aanmerkelijk
gevaarvoor de gezondheid aanwezig is, maar reeds als de lucht is of dreigt te worden verontreinigd, dat de aanmerkelijke kans op aantasting van de gezondheid te
vrezenis, moet er worden gewaarschuwd.
immissie — nader bepaald kan worden. Stelt men van overheidswege grenzen aan de toelaatbare immissie, dan wordt (dreigende) overschrijding van die grens aangemerkt als ernstige luchtverontreiniging. De overheid heeft die grenswaarden (nog) niet vastgesteld. Meijer Drees gaat er echter vanuit, dat de wet met zich meebrengt, dat al spoedig van ernstige luchtverontreiniging moet worden gesproken. Het komt mij daarom voor, dat het bepalen van deze grenswaarde in een individueel geval niet ter persoonlijke beoordeling staat, noch mag worden getoonzet in de sleutel van de voorzienbaarheid. Zolang deze waarden door de overheid niet zijn bepaald, zal temeer een plicht tot waarschuwen bestaan, ongeacht welke emissie (uitworp van verontreinigende stoffen) heeft plaatsgevonden. Terecht zegt Meijer Drees, t.a.p., p. 690, ook, dat grenswaarden voor emissies een problematiek op zichzelf buiten beschouwing blijven. Over deze materie voorts van dezelfde schrijver 'Luchtverontreiniging: normen voor toelaatbaarheid' in NJB 1972, p. 707 e.v.; 'Enkele notities bij artikel 48, eerste lid, van de Wet inzake de luchtverontreiniging' in: Milieu en Recht, 1974, p. 16 e.v. Men zie ook J. Witsen, Bouwstenen voor Milieurecht, Rijksplanologische Dienst, Publikatie 1971–1, p. 27, die het bepalen van de grenswaarden als een van de kernpunten in de wetgeving op het milieubeheer beschouwt.