ECLI:NL:PHR:1980:AC6999

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 1980
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
71.843
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 439 lid 2 SvArt. 225 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor oplichting en valsheid in geschrift bevestigd door Hoge Raad

Rekwirant is door het hof veroordeeld wegens oplichting en valsheid in geschrift tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Rekwirant stelde cassatiemiddelen aan de Hoge Raad voor, waarin onder meer werd betwist dat het ten laste gelegde bewezen was en dat het bewijsmateriaal rechtmatig was verkregen.

De Hoge Raad oordeelde dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden en dat hiertegen in cassatie niet met succes kan worden opgekomen. Het hof had bovendien terecht geoordeeld dat de lijst met inkomsten en gefingeerde uitgaven als bewijs diende van de verrichte rechtshandelingen. Tevens werd bevestigd dat rekwirant toestemming had gegeven voor de huiszoeking, waardoor het verweer van onrechtmatig verkregen bewijs werd verworpen.

De Hoge Raad vond geen gronden voor vernietiging van het arrest en verwierp het cassatieberoep. De straf blijft daarmee ongewijzigd in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot twee maanden gevangenisstraf, waarvan één voorwaardelijk.

Conclusie

pvh
Nr. 71.843
Zitting 24 juni 1980 bij vervroeging
Mr. Haak
Conclusie inzake:
[rekwirant]
Edelhoogachtbare Heren,
Het Hof heeft met verbetering van gronden het vonnis van de Rechtbank bevestigd, waarbij rekwirant, die zich van beroep in cassatie heeft voorzien, terzake van oplichting en valsheid in geschrift is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar.
Namens rekwirant zijn op de wijze als is voorzien in art. 439 lid 2 Sv Pro. drie middelen van cassatie voorgedragen.
De voorgedragen middelen acht ik niet gegrond.
Het eerste middelmiskent, dat de selectie en de waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Men zie laatstelijk de arresten van Uw Raad van 6 mei 1980, nr. 71.377 en 71.384M. Daartegen kan met niet met vrucht opkomen in cassatie. Voorzover het middel blijkens de toelichting wil klagen over het feit, dat het telastegelegde ten onrechte bewezen is verklaard, geldt hetzelfde als hiervoor is gezegd.
Daarop zal tevens
het tweede middelmoeten afstuiten. Daarbij geldt de lijst met inkomsten en daarop vermelde gefingeerde uitgaven naar zijn aard als bestemd om van de door rekwirant verrichtte rechtshandelingen te doen blijken tegenover degeen, jegens wie hij verantwoording van zijn handelingen moest afleggen. Men zie Noyon-Langemeijer-Remmelink, ad art. 225, aant. 3 (p. 629 in fine), aant. 5 en het door rekwirant bedoelde arret H.R. 14 mei 1957, NJ 1957, 472, p. 876 lk., met noot van Röling, sub 2.
Het derde middelmist feitelijke grondslag, nu het Hof op in cassatie onaantastbare gronden heeft aangenomen, dat rekwirant wel toestemming tot huiszoeking heeft gegeven. De Rechtbank is op het verweer, dat het bewijsmateriaal onrechtmatig verkregen zou zijn, ingegaan, en heeft dit weerlegd op gronden, waarmede het Hof zich heeft verenigd.
Ook ambtshalve geen gronden aanwezig achtend, die tot vernietiging van het bestreden arrest zouden moeten leiden, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,