ECLI:NL:PHR:1981:AC0902

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 1981
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
72.872
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opzet en toerekening bij doodslag ondanks geestesstoornis door cocaïnegebruik

In deze zaak werd de verdachte door het hof veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf wegens doodslag op zijn grootmoeder door haar met een mes in de hals te steken. De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte opzet had aangenomen, omdat hij door zijn geestesstoornis veroorzaakt door cocaïnegebruik niet bewust was van de gevolgen van zijn handelen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht opzet aannam, aangezien het steken met een mes redelijkerwijs de dood tot gevolg kan hebben en er geen aanwijzingen waren dat de verdachte elk inzicht in de gevolgen ontbrak. De stelling van de verdachte dat zijn geestesstoornis hem zou vrijwaren, werd verworpen omdat het hof had vastgesteld dat hij ondanks hallucinaties en waandenkbeelden kort voor het delict nog heroïne en een grote dosis cocaïne had gebruikt.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte verwijtbaar handelde door zich bewust in die toestand te brengen. De argumenten van de verdediging, waaronder verklaringen van een psychiater, konden in cassatie niet worden aangenomen omdat het hof deze niet had vastgesteld. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling voor doodslag met opzet bevestigd.

Conclusie

na.-
Nr. 72.872
Zitting 28 april 1981
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbare Heren,
In deze zaak waarin het Hof requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van "doodslag" (requirant zou een vrouw — zijn grootmoeder — met een mes hebben doodgestoken) tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem twee middelen van cassatie voorgesteld.
In middel I klaagt requirant erover, dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet het opzet (op de dood) bewezen heeft kunnen achten. Het komt mij voor, dat zulks wel het geval is, omdat, wie een ander met een mes steekt redelijkerwijze zal hebben beseft, dat de dood van het slachtoffer dan geredelijk kan volgen. Vgl. 12 mei 1964, NJ 1965, no. 12. Zulks is alleen anders, indien bij de dader elk inzicht in de draagwijdte van zo'n gedraging en de mogelijke gevolgen daarvan zou ontbreken. Vgl. HR 22 juli 1963, NJ 1968, no. 217. De geëerde steller van het middel doet in dit opzicht nog wel een beroep op enkele passages uit een verklaring resp. een rapport van de psychiater Meijer, maar deze doen reeds deswege niet ter zake, omdat door het Hof niet zijn vastgesteld.
In middel II wordt de culpa in causu-argumentatie aangevallen, die het Hof bezigt om requirant toch zijn ziekelijke stoornis der geestvermogens te kunnen toerekenen.
Allereerstgaat het daarbij om de stelling van het Hof, dat requirant telkens geconfronteerd werd met het verschijnsel van waandenkbeelden of hallucinaties kennelijk als gevolg van het gebruik van verdovende middelen, en dat hij niettemin kort voor het begaan van het onderhavige feit een extra dosis heroïne en een zeer grote dosis cocaïne in zijn lichaam heeft gespoten. Mij dunkt, dat het Hof hieruit geredelijk heeft kunnen afleiden, dat requirant een verwijt trof voor het komen te verkeren in de betreffende geestestoestand.
Voortsom de stelling van het Hof, dat het van algemene bekendheid is, dat cocaïne een stof is, waarvan de wetgever wegens de daaraan voor de volksgezondheid verbonden gevaren zelfs het enkele aanwezig hebben heeft verboden, en dat zowel heroïne als cocaïne bij gebruik van enige duur de wil van de gebruiker en het normbesef van deze (kunnen) aantasten. Ook dit lijkt mij een houdbare stelling. Ik kan mij nauwelijks voorstellen, dat er één jongmens in Nederland rondloopt, die daarvan geen besef zal hebben. M.a.w. Uw Raad zal zich bij deze laatste vaststelling van het Hof eveneens moeten neerleggen. Ook hier doet requirant nog een beroep op een (wat "afzwakkende") passage uit de verklaring van voormelde psychiater, maar ook hier geldt, dat hiervan in cassatie niets vaststaat.
Beide middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,