Conclusie
facto et animowonen. Welnu, werkelijk bewonen kan dan alleen maar de werkelijke bewoner, en deze was overleden. De nabestaanden e.d., die de boedel afwikkelen, en het woonhuis in die tijd beheren, zijn toch niet als echte bewoners aan te merken, wier intieme leven van buiten beschermd dient te worden. Op zich zelf lijkt mij deze argumentatie wel sterk en past zij in de door mij voorgestane van die van Uw Raad verschillende uitleg van art. 138. Zoals Uw Raad immers bekend is (o.m. conclusie vóór H.R. 16 nov. 1971, N.J. 1972, no. 61), ben ik van mening, dat een woning slechts een woning is, zolang daarin wordt gewoond. Na afloop van de bewoning wordt de voormalige woongelegenheid, voorzover althans niet werd gewoond op een afgesloten plek op de grond enz., een ‘’locaal’’, en zal de bescherming tegen indringers gezocht moeten worden in de eveneens onder art. 138 ressorterende Pro strafbaarstelling van lokaalvredebreuk. Als gebruiker van een lokaal geldt: de simpele rechthebbende houder van het lokaal, evenals de gebruiker van een erf (beschermd tegen erfvredebreuk) is de simpele houder van het erf. Aangezien Uw Raad ‘’woning’’ interpreteert als ‘’woonhuis’’ (uiteraard in ruime zin op te vatten) komt men in moeilijkheden als zo'n woonhuis niet meer als woning wordt gebruikt. De Rechtbank tracht in casu het gat in het lacuneuze systeem dat alsdan ontstaat, te dichten door het gebruik van de woning uit te breiden in de zoëven genoemde zin. Nu de woorden van de wet zich daartegen niet verzetten, terwijl de ratio gebiedt om het ‘’gat’’ zo gering mogelijk te doen zijn, zou ik Uw Raad willen adviseren zich bij deze interpretatie neer te leggen. Alsdan kan de toch wel ‘’stuitende’’ consequentie, dat zelfs de boedel van een overledene niet in alle rust kan worden afgewikkeld worden vermeden.