ECLI:NL:PHR:1981:AG4257

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 1981
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
11703
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid ziekenhuis voor schade door val na bloedafname wegens nalatigheid

In deze zaak vordert eiser namens zijn dochter schadevergoeding van het ziekenhuis wegens onrechtmatige daad. Tijdens een bloedafname in het ziekenhuis viel de dochter plotseling flauw na het opstaan uit de behandelstoel en liep daarbij letsel aan haar gebit op. De rechtbank oordeelde dat het ziekenhuispersoneel onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte door niet direct bij het opstaan van de patiënt aanwezig te zijn om een val te voorkomen, en kende de schadevergoeding toe.

Het hof vernietigde dit vonnis en wees de vordering af, stellende dat het ziekenhuis niet onrechtmatig had gehandeld omdat het onverwacht flauwvallen zonder voorafgaande tekenen zelden voorkomt en er geen aanwijzingen waren dat het personeel nalatig was geweest. Het hof baseerde zich ook op een brief van een klinisch-chemicus en de feitelijke gang van zaken.

De Hoge Raad stelt dat het ziekenhuis een bijzondere zorgplicht heeft jegens patiënten die een gevaarzetting ondergaan, zoals bloedafname, en dat het nalaten van maatregelen om een val bij flauwvallen te voorkomen onrechtmatig is. Het hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het ziekenhuis niet aansprakelijk is, omdat het niet aannemelijk is gemaakt dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen waren getroffen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en bevestigt het vonnis van de rechtbank, waarbij het ziekenhuis aansprakelijk wordt gehouden voor de schade.

De uitspraak benadrukt dat een ziekenhuis in een speciale relatie tot de patiënt gehouden is tot het nemen van passende maatregelen om schade te voorkomen, ook als het risico op flauwvallen uitzonderlijk is. Het risico van het nalaten van voorzorgsmaatregelen ligt bij het ziekenhuis en niet bij de patiënt.

Uitkomst: Het ziekenhuis is aansprakelijk voor de schade van de patiënt door nalatigheid bij het voorkomen van een val na bloedafname.

Conclusie

JL
Nr. 11.703
Zitting 25 september 1981
Mr. Berger
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
CENTRALE ISRAELITISCHE ZIEKENVERPLEGING.
Edelhoogachtbare Heren,
Op 26 januari 1977 is in het ziekenhuis van verweerster in cassatie (CIZ) bij de dochter ([de dochter]) van de eiser tot cassatie ([eiser]) op juiste en zorgvuldige wijze bloed afgenomen overeenkomstig de voor dergelijke verrichtingen gebruikelijke en geëigende procedure. (r.o. 4 van het bestreden arrest). Na verkregen toestemming is [de dochter] uit de stoel, waarin zij behandeld was, opgestaan en prompt daarop plotseling flauwgevallen. Zij is voorover op haar gezicht op de grond terecht gekomen tengevolge waarvan haar gebit is beschadigd. [eiser] heeft in deze procedure van CIZ schadevergoeding ter zake gevorderd uit hoofde van onrechtmatige daad, daarin bestaande dat het personeel van CIZ heeft nagelaten bij en na de bloedafname zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat de val van [de dochter] werd voorkomen. De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] toegewezen. Zij heeft daartoe o.m. overwogen;
"Naar het oordeel van de rechtbank brengt de van het personeel van gedaagde te verlangen zorgvuldigheid in de behandeling van patienten van wie bloed is afgetapt mede - gelet op de mogelijkheid van flauwvallen nadat bloed is afgetapt en op het van algemene bekendheid zijnde feit dat iemand die flauwvalt ten val kan komen en letsel kan oplopen - dat het personeel zodanig maatregelen treft dat een flauwvallende patient wordt opgevangen. Ook al geschiedt het flauwvallen - naar gedaagde aanvoerde - in de blijkbaar sporadische gevallen doorgaans bij of terstond na het bloedprikken, dit betekent niet dat geen rekening gehouden behoeft te worden met flauwvallen na het uit de stoel opstaan. In verband daarmede brengt de vereiste zorgvuldigheid mee dat juist bij het opstaan van de patient een persoon zich zo dicht bij de patient bevindt en zijn aandacht zo op die patient richt dat hij deze kan opvangen wanneer deze – zelfs plotseling en onverwacht - flauwvalt. Deze voorzorgsmaatregel heeft gedaagdes personeel blijkbaar achterwege gelaten.
Ook al kan dit nalaten, waarvan de val van [de dochter] een voorzienbaar gevolg is, niet - zoals eiser wil - gequalificeerd worden als gróve onzorgvuldigheid, toch is het een zodanig tekortschieten in de zorgvuldigheid die jegens de 15-jarige [de dochter] aan de dag had behoren te worden gelegd dat gedaagde jegens [de dochter] voor de voor deze uit de val voortvloeiende schade aansprakelijk is".
Het Hof heeft op het hoger beroep van CIZ het vonnis van de Rechtbank vernietigd en aan [eiser] alsnog zijn vordering ontzegd.
Het Hof heeft ter zake o.m. overwogen:
"10. Daargelaten of het hoe dan ook mogelijk is dat in de onmiddellijke nabijheid aanwezig personeel van het ziekenhuis plotseling flauwvallende patienten daadwerkelijk opvangt zodat zij geen enkel letsel kunnen bekomen acht het Hof op grond van de in hoger beroep gebleken feitelijke gang van zaken met betrekking tot de bloedafname bij geïntimeerde's dochter [de dochter] op 26 januari 1977 onjuist het in de grieven I t/m VI aangevallen oordeel van de Rechtbank dat appellante te dezer zake jegens geïntimeerde's dochter [de dochter] onrechtmatig heeft gehandeld."
Uit de overwegingen van het Hof blijkt, dat het met "de in hoger beroep gebleken feitelijke gang van zaken met betrekking tot de bloedafname bij geïntimeerde's dochter [de dochter]" heeft bedoeld hetgeen de Rechtbank in de eerste rechtsoverweging van het beroepen vonnis als vaststaand heeft aangenomen (r.o. 3). Het Hof heeft bij zijn oordeelgeving mede waarde gehecht aan de bij memorie van grieven overgelegde brief van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Klinisch-Chemici, gedagtekend 20-9-1979, waaruit blijkt dat het "onwel" worden bij of nameen bloedafname slechts in zeer beperkte mate voorkomt, terwijl het onverwachts "onwel" worden, d. w.z. zonder dat er tekens van "onwel" worden aanwezig zijn, zich slechts bij hoge uitzondering voordoet (r.o. 6). Voorts heeft het Hof er nog op gewezen, dat CIZ onbestreden heeft aangevoerd, dat [de dochter] in geen enkel opzicht enig verschijnsel vertoonde, waaruit viel op te maken dat zij flauw zou vallen. Tenslotte heeft het Hof uit het schrijven van de hoofd-analiste van CIZ's laboratorium d.d. 4 april 1978 - welk schrijven eveneens bij memorie van grieven in het geding is gebracht en waaruit blijkt dat [eiser]'s dochter, opgestaan zijnde na afloop van de bloedafname, in gesprek was met één der assistentes-afgeleid dat zeker niet gezegd kan worden dat geen personeelslid van het ziekenhuis in de nabijheid zou zijn geweest (r.o. 8).
In
het eerste middelvan cassatie wordt het Hof verweten, dat het heeft miskend "dat de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer jegens eens anders persoon of goed in acht genomen dient te worden met zich medebrengt dat ziekenhuispersoneel dat een patiënt bloed afneemt op de wijze en in de mate als in het bestreden arrest vermeld, er voor dient te zorgen dat deze patiënt wanneer zich het risico van flauwvallen verwerkelijkt niet op de grond valt en letsel oploopt, zodat het ziekenhuis voor de financiële gevolgen van een dergelijke val aansprakelijk is tenzij aannemelijk geworden is dat redelijkerwijs alle schuld aan de zijde van het ziekenhuispersoneel ontbreekt en doordien afdoende maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de patiënte op de grond viel, van welke maatregelen niet is gebleken". Aldus is, naar het mij voorkomt, in het middel de zienswijze van de Rechtbank verwoord.
Naar mijn oordeel is dit middel gegrond te bevinden.
Vooropgesteld zij, dat er in cassatie van kan worden uitgegaan, dat het mogelijk is dat in de onmiddellijke nabijheid aanwezige personeel van het ziekenhuis plotseling flauwvallende patiënten daadwerkelijk opvangt zodat zij geen enkel letsel kunnen bekomen. Het Hof heeft dit in het midden gelaten, terwijl CIZ het in haar memorie van grieven op zichzelf niet heeft ontkend, doch slechts de praktische uitvoerbaarheid ervan in twijfel heeft getrokken.
Vooropgesteld zij mede, dat ten processe niet is gesteld of gebleken, dat in het onderhavige geval specifieke maatregelen zijn getroffen teneinde te voorkomen, dat [de dochter], toen zij na opgestaan te zijn plotseling flauwviel, zo ongelukkig op de grond terecht is gekomen.
Wanneer ik nu in aanmerking neem, dat bij bloedafname, zoals in het onderhavige geval aan de orde, door het te dezen handelend personeel van CIZ de gevaarssituatie is geschapen - die bij dat personeel bekend mag worden verondersteld -, dat [de dochter] bij of na de bloedafname - ook zonder voorafgaande verschijnselen - plotseling zou flauwvallen, is m.i. het nalaten van maatregelen om te voorkomen, dat [de dochter] tengevolge van dit flauwvallen schade zou lijden, onrechtmatig tegenover [de dochter]. Immers op degene, die in een speciale relatie met het slachtoffer een gevaarssituatie voor deze in het leven heeft geroepen rust de rechtsplicht om met het oog op de mogelijke verwezenlijking van het gevaar (i.c. het flauwvallen) die maatregelen te nemen die schade voor het slachtoffer kunnen voorkomen (zie in dit verband: HR 22 november 1974 NJ 1975, 149 en met name ook de noot van Scholten onder dat arrest).
M.i. behoort het tot de maatschappelijk betamende zorgplicht van een ziekenhuis, dat de door zijn personeel behandelde patiënten tengevolge van een gevaarzettende behandeling geen schade kunnen lijden. Behoudens overmacht, waarvan te dezen niet is gebleken, is het ziekenhuis aansprakelijk, wanneer patiënten schade lijden omdat het ziekenhuis die zorgplicht niet of niet behoorlijk in acht heeft genomen. De uitzonderlijkheid van het onderhavige geval kan, naar mijn oordeel, aan het vorenstaande niet afdoen. Wanneer het ziekenhuis meent met het oog op die uitzonderlijkheid de dientengevolge bezwarende voorzorgsmaatregelen achterwege te kunnen laten, ligt het risico daarvan niet bij de patiënt maar bij het ziekenhuis.
Daar het eerste middel gegrond is te bevinden, kan het bestreden arrest niet in stand blijven en moet vernietiging volgen.
De in het tweede en derde middel van cassatie vervatte motiveringsklachten komen niet meer aan de orde.
Waar, naar mijn oordeel, na de vernietiging niet meer beslist dient te worden over feiten, waaromtrent nog geen uitspraak is gedaan, kan Uw Raad het geding in voege als na te melden zelf af doen.
Ik moge derhalve concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot bekrachtiging van het bij dat arrest vernietigde vonnis van de Rechtbank met veroordeling van de verweerster in cassatie in de kosten op de voorziening gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,