Conclusie
Nr. 11 882
Zitting 2 april 1982
klid 2 BW voor wat betreft [betrokkene 1] , wiens onderhuurovereenkomst wellicht per 31 maart 1980 is geëindigd, wijst de Kantonrechter de vordering tot ontruiming af. De betaling van de huurachterstand wordt tot 1 april 1980 toegewezen.
onderdeel a van het middeldient te worden gesteld dat de verhuurder, die met wanprestatie van zijn huurder wordt geconfronteerd naast opzegging de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst ter beschikking heeft. Men zie art. 1623
nBW, waarin de toepasselijkheid van de artt. 1302 en 1303 BW, zij het onder rechterlijke contrôle, wordt gehandhaafd.
xBW kunnen voordoen. Vgl. concl. p. 711 l.k. vóór HR 12 december 1980, NJ 1981 no. 202 (P.A.S.).
clid 4 niet geldt, als zal het wellicht verstandig zijn zekerheidshalve in verband met het navolgende toch de overlegging van een verklaring van de Huurcommissie als in dat artikellid bedoeld te vragen.
e.
kBW ook bij ontbinding van de huurovereenkomst van toepassing is. Omstreden is namelijk, of de bescherming die art. 1623
kBW de onderhuurder "in geval van beëindiging van de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder" biedt namelijk voortzetting door de verhuurder van de lopende onderhuur als huur met hem óók het geval betreft dat de huurovereenkomst door ontbinding eindigt, zoals in casu.
kBW wordt geklaagd, zal deze vraag eerst moeten worden beantwoord.
j(nu:
k) gegeven toelichting wordt nog eens uitdrukkelijk aangetekend dat dit ook voor onbevoegde onderhuur van de zelfstandige woning geldt. Vgl. voorts: Nadere M.v.A. (stuk nr. 11), p. 19/20; M.v.A. Eerste Kamer (stuk nr. 113
a), p. 4 bij art. 1623
c, p. 10 bij art. 1623
k. Het gaat om kering van misbruik, met name aan zijde van de verhuurder. De wetgever kiest tot dat doel bewust een onbeperkte, ruime tekst in de wet.
j,(nu:
k) een aantal voorzieningen in lid 2 getroffen. Vgl, Nadere M.v.A. (stuk nr. 11), p. 19 en Tweede Nota van Wijzigingen (stuk nr. 12), p, 26.
k, nu:
n, in de Tweede Nota van Wijzigingen, stuk nr, 12) de weg van de ontbinding onder rechterlijke contrôle gebracht om te verzekeren dat deze weg slechts wordt opgegaan bij tekortkomingen van de huurder van zodanige ernst, dat hem het woonrecht ontzegd moet worden (Nadere M.v.A., stuk nr. 11, p. 3). Vgl. M.v.A. Eerste Kamer (stuk nr. 113
a), p. 11 bij art. 1623
n. Overigens keert dit de mogelijkheid van misbruik niet, omdat de huurder ten behoeve van de verhuurder zeer wel een situatie van ernstige wanprestatie zijnerzijds - bv. door het betalen van huur na te laten - kan creëren.
eBW en is de daarnaast bestaande bescherming uit art. 1623
kBW van de onderhuurder van een zelfstandige woning meer op de achtergrond gebleven, ofschoon bij de inleiding van dit debat dit artikel werd geciteerd. Vgl, Hand. I juni 1979, p. 1135 l.k., p. 1142 r.k., p. 1146 m.k., p. 1146 r.k,, p. 1148/l149.
klid 1 BV valt.
In dezelfde zin: Bockwinkel, NJB 1979, p. 883 l.k.; Hartkamp, Ruesink en Tomlow, NJB 1980, p. 574 r.k., p. 575, die in "Recht voor de huurder" (1981), Hoofdstuk 3 punt 8, p. 56 e.v. en Hoofdstuk 4 punten 4.2, 4.3, 4.5 en 4.6, p. 77 e.v. een overzicht geven; J.A. de Mol, NJB 1980, p. 723, 724 onder 5 en in "Huurrecht" (1980), p. 242/243; Ktr. Amsterdam 24 januari 1980, "De Praktijkgids" 1980 nr. 1522, p. 456 met noot W.M. Kleyn; M. Gunning, Adv.bl. 1980, p. 257/258.
Anders; van Leuven, NJB 1980, p. 139 en p. 575, 576; Ktr. Amsterdam 15 februari 1980, "De Praktijkgids" 1980 nr. 1466, p. 191.
Vergelijk voorts; Vies, "De Praktijkgids" 1981, p. 11-15; Kluwers losbladige "Huurrecht", aantekeningen bij art. 1623
ken art. 1623
nBW; Bustin, A.A. 1979 (jrg. 28), p. 472/473.
kBW, al dan niet in verband met de artt. 1302, 1303 en 1623
nBW, zou moeten procederen. De verhuurder zou veel kostbare tijd verliezen en bij toepasselijkheid van art. 1623
kBW tegenover een chicanerende huurder - die aldus wanpresteert - (te) zwak staan. Dit argument vond onder meer steun in de mening dat art. 1623
clid 1 BW de mogelijkheid van tenuitvoerlegging bij voorraad zou uitsluiten. Deze laatste mening is echter bij HR 8 januari 1982, R.v.d.W. 1982 no. 33 Middel III onjuist gebleken.
kBW niet behoeft te volgen, dat de rechter een vordering tot ontruiming tegen de huurder met al de zijnen reeds zou moeten afwijzen bij het zich voordoen van de enkele omstandigheid dat de huurder zelf na afloop van de huur de woning heeft ontruimd en de huurder stelt dat een derde van zijnentwege in de woning woont.
klid 2 onder b BW). In de nadere M.v.A. (stuk nr. 11), p. 19 onder art. 1623
j(nu:
k) wordt bv. gesuggereerd dat voor zodanig oordeel het tijdstip, waarop de onderhuurovereenkomst is aangegaan, van belang kan zijn.
klid 1 BW een zelfstandig recht op voortzetting van zijn onderhuur tegenover de hoofdverhuurder heeft. Geconfronteerd met een executie, kan hij zelf met een beroep op genoemd artikel daartegen opkomen.
kBW is derhalve naar mijn mening zowel bij ontbinding als bij opzegging van de hoofdhuur van toepassing.
kBV met de onderhuurder voortzet, is de onderhuur die de onderhuurder met de huurder/onderverhuurder heeft gesloten. Dit was niet de huur die de Vereniging in casu te sluiten aanbood. De nadelen die voor de verhuurder hieruit kunnen voortvloeien, kunnen via lid 2 van art. 1623
kBW gekeerd worden. Men zie ook Tweede Nota van Wijzigingen (stuk nr. 12), p. 26 bij art. 1623
j(nu:
k).
onderdeel cdoel, dat voor het overige geen behandeling meer behoeft.
kBW over het al dan niet bestaan van een "onderhuur" op het ogenblik dat de woning vrij en ontruimd aan de verhuurster ter beschikking had moeten worden gesteld. Over hetgeen bij zodanig oordeel kan meewegen, sprak ik reeds hierboven.
onderdeel e in de eerste plaats primairverondersteld wordt, heeft de Rechtbank [eiser] niet tot vergoeding verplicht geacht van gederfde huur uit de hoofdhuurovereenkomst, nadat deze naar de feitelijke vaststelling van de Rechtbank op 31 maart 1980 was geëindigd, doch van huur die de verhuurster derfde doordat [eiser] niet zijn verplichting was nagekomen de woning tenminste na 31 maart 1980 vrij en ontruimd op te leveren. Deze vergoeding stelde de Rechtbank op de vóórdien geldende huurprijs.
subsidiair(men zie ook slot onderdeel c) van voormelde lezing van het vonnis uitgegaan en geklaagd dat [eiser] niet per 1 april 1980 tot ontruiming was gehouden, omdat de Vereniging met ingang van die datum aan [betrokkene 1] een huurovereenkomst had aangeboden (c.v.repl, en c.v.dupl.).
kBW in beginsel niet het geval. In dit stadium van het geding meen ik het bij deze grove aanduiding te mogen laten.