Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:1983:1

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 1983
Publicatiedatum
28 februari 2020
Zaaknummer
6302
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 FwArt. 6 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arrest Hoge Raad over faillissementstoestand ondanks betalingsregeling met fiscus

De rechtbank te Zwolle wees het verzoek tot faillietverklaring van verzoeker af, maar het gerechtshof Arnhem verklaarde verzoeker in staat van faillissement. Verzoeker had een onbetaalde, bij rechterlijke uitspraak vastgestelde schuld van 22.000 gulden plus rente en kosten aan verweerder, en een aanzienlijke belastingschuld van circa 90.000 tot 100.000 gulden. Verzoeker had slechts geringe inkomsten uit de handel in tweedehands auto’s en betaalde incidenteel met geleend geld.

Het hof oordeelde dat verzoeker ondanks een betalingsregeling met de fiscus, waarbij hij maandelijks een vast bedrag afbetaalt, toch in faillissementstoestand verkeert. De Hoge Raad bevestigt dat het niet vereist is dat de fiscus als crediteur op betaling aandringt of het faillissement verlangt om van faillissementstoestand te spreken.

De Hoge Raad stelt dat het hof zijn oordeel op juiste feitelijke gronden heeft gebaseerd en geen onjuiste rechtsregels heeft toegepast. Het cassatieberoep wordt verworpen en de gratie admissie aan verzoeker wordt verleend.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem dat verzoeker in staat van faillissement verklaarde blijft in stand.

Conclusie

JL
Nr. 6302
Rekest
(Faillissement)
Parket, 14 februari 1983.
Mr. Franx
Conclusie inzake:
[verzoeker]
t e g e n
[verweerder]
Edelhoogachtbare Heren,
Nadat de rechtbank te Zwolle bij beschikking van 29 september 1982 het verzoek van partij [verweerder] tot faillietverklaring van partij [verzoeker] had afgewezen, heeft op het door [verweerder] ingestelde hoger beroep het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 29 december 1982 [verzoeker] in staat van faillissement verklaard.
[verzoeker] heeft zich in cassatie voorzien en bestrijdt ’s hofs arrest met een middel, dat zich richt tegen de voorlaatste alinea van de overwegingen van het hof.
Het hof heeft feitelijk en in cassatie onbestreden vastgesteld, dat [verzoeker] een onbetaalde, bij rechterlijke uitspraak vastgestelde schuld van f 22.000,-- (te vermeerderen met rente vanaf 18 oktober 1979 en kosten) aan [verweerder] heeft alsmede een ‘’aanzienlijke’’ belastingschuld, volgens zijn opgave bedragende circa f 90.000,-- à f 100.000,--; voorts, dat [verzoeker] thans slechts zeer geringe inkomsten uit handel in tweedehands auto’s heeft, gedreven met incidenteel van derden geleende gelden. Het is op grond van deze feitelijke vaststellingen dat het hof is gekomen tot zijn oordeel, dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [verzoeker] in de faillissementstoestand verkeert. Aan dit laatste doet volgens het hof niet af, dat [verzoeker] met de fiscus een regeling heeft getroffen krachtens welke hij, [verzoeker] , regelmatig bepaalde, telkenmale vast te stellen bedragen in mindering betaalt.
De klachten van het middel kunnen geen succes hebben. Het hof kon op basis van voormelde feitelijke vaststellingen zonder schending van enige rechtsregel komen tot zijn feitelijke beslissing dat [verzoeker] ,
ondanksde door hem ingeroepen betalingsregeling met de fiscus, in de faillissementstoestand verkeerde. Aannemelijk is dat het hof mede acht heeft geslagen op de bij de behandeling in hoger beroep door [verzoeker] afgelegde verklaring, o.m. inhoudende dat hij momenteel ‘’haast niets’’, d.w.z. ongeveer f 1.000,-- per maand, met de autohandel verdient en aan de fiscus f 100,-- à f 300,-- per maand afbetaalt. Stelt men het gemiddelde maandelijkse bedrag dat [verzoeker] aldus betaalt op f 200,--, dan leert een eenvoudige berekening dat hij op die voet doorgaand ongeveer 40 jaar nodig zal hebben om zijn hier bedoelde belastingschuld te voldoen. Het onderhavige geval lijkt dan ook op dat van HR 22 juli 1982, R.v.d.W. 1982 no. 156, inz. nr. 6129. Het is voor het aannemen van de faillissementstoestand niet nodig dat de fiscus, als crediteur van de steunvordering in deze zaak, op betaling aandringt, het faillissement verlangt of zelf een opeisbare vordering heeft: zie de losbladige ‘’Faillissementswet’’, aant. 4 op art. 6, sub B, C en D, p. I.1.6. – 3, 6 en 7, met vermelding van rechtspraak. Het hof heeft aan het onderhavige verweer van [verzoeker] (zijn beroep op de betalingsregeling) aandacht besteed en dat verweer verworpen in een afweging van feitelijke aard; vgl. HR 11 juni 1982, R.v.d.W. 1982, 122, inz.nr. 6052, met de conclusie OM. Toetsing in cassatie van de juistheid van ’s hofs beslissing is niet mogelijk nu het hof niet van een onjuiste opvatting inzake de artt. 1 en 6 Fw. is uitgegaan. Nadere of andere motivering behoefde ’s hofs arrest niet.
Ik concludeer tot verwerping van het beroep en tot verlening van de gevraagde gratie admissie aan verzoeker [verzoeker] .
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,