AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling onrechtmatige overheidsdaad en beleidsruimte bij toelating vreemdelingen
Annitou, van Marokkaanse nationaliteit, verbleef legaal in Nederland met een vergunning tot verblijf (v.t.v.) tot 1 december 1980, waarna hij geen nieuwe vergunning aanvroeg vanwege paspoortproblemen en afhankelijkheid van een uitkering. In 1982 vroeg hij opnieuw een v.t.v. aan, die werd afgewezen. Hij stelde een herzieningsverzoek in, maar de staatssecretaris weigerde hem toe te staan de beslissing in Nederland af te wachten. Annitou verzocht de rechter om schorsende werking en toelating tot Nederland, maar dit werd afgewezen door de rechtbank en het hof. De Hoge Raad overwoog dat het hof terecht aannam dat het herzieningsverzoek kansloos was en dat het niet onrechtmatig was de schorsende werking te weigeren.
De Hoge Raad benadrukte dat de administratieve rechter een beperkte rol heeft bij vreemdelingenzaken en dat de burgerlijke rechter aanvullend optreedt wanneer geen voorlopige voorzieningen mogelijk zijn bij de administratieve rechter. De rechtbank kan onder bijzondere omstandigheden de overheid verplichten een vreemdeling toe te laten, bijvoorbeeld bij schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel.
De zaak onderscheidt zich van eerdere jurisprudentie doordat Annitou legaal verbleef en daarna een periode zonder vergunning, wat tot dilemma's leidt over de te volgen procedure. De Hoge Raad concludeerde dat Annitou geen belang heeft bij cassatie omdat hij niet-ontvankelijk zou worden verklaard bij vernietiging en verwijzing. De zaak behandelt de beleidsruimte van de overheid en de rechtsbescherming van vreemdelingen bij toelating en uitzetting.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het niet onrechtmatig was de schorsende werking te weigeren en dat de rechter onder omstandigheden de overheid kan verplichten een vreemdeling toe te laten.
Voetnoten
1.Pleitnota van Annitou’s raadsman in hoger beroep; door de Staat niet weersproken.
2.J. Remmelink in Beginselen (G.E. Mulder-bundel), 1981, p. 303. Ik heb de volgorde van de twee zinnen omgedraaid, omdat dit, buiten het verband waarin de auteur ze had geplaatst, logischer voorkomt.
3.In de passage uit de m.v.a. aan de Tweede kamer over wetsontwerp nrs. 11279, 11280 (wijziging kroonberoep in vreemdelingenzaken in Arob-beroep), S & J 86 (1980), p. 79 kan ik een dergelijke bedoeling niet terugvinden.
4.Kamerst. 7163, nr. 3, p. 12/3. Zie ook ed. S & J, 86, p. 20.
5.Afd. rechtspraak R.v.S. 26 juni 1978, RV 1978, 24 (p. 70). Zie ook Rekers, Gids vreemdelingenrecht (losbl.) C II-6 en Vreemdelingencirculaire 1982, A 4/3.3.:’’Aan vreemdelingen die niet beschikken over de voor hen vereist m.v.v. wordt in beginsel geen vergunning tot verblijf verleend (…).
6.Dat is echter niet in alle opzichten. Zo ontgaat het mij waarom, zoals bij implicatie wordt gesteld, een vreemdeling zich in een procedure voor de administratieve rechter n.a.v. een verzoek om een m.v.v. niet door een Nederlandse advocaat zou kunnen laten bijstaan.
7.Afd. rechtspraak R.vS. 20 november 1979, RV 1979, 34. Vreemdelingencirculaire 1982, A 4/3.3. en 5.6.2.1.
8.HR 25 april 1980, NJ 1981, 416 (Sögüt/Staat), m.n. M. Scheltema.
9.Vgl. de m.v.t. op het ontwerp-Vw., t.a.p., p. 16 (ed. S & J), 86, p. 64.
10.Zie c.o.m. in die zaak sub 2.2., 2e alinea.
11.Vgl. HR 25 juni 1982, NJ 1983, 194, m.n. W.H. Heemskerk, ad middel II. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Leijten sub 3 en de noot sub 2.