Conclusie
iKrankzinnigenwet op vordering van de Officier van Justitie de voortzetting van de inbewaringstelling van verzoeker tot cassatie bevolen.
iKrankzinnigenwet, dat hij deze ‘’uiterlijk de volgende dag (na ontvangst; t.K.), die niet is een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, als bedoeld in de Algemene Termijnenwet aan de president van de rechtbank zendt.
cassatieverzoekis dat de beschikking van de president genomen is in strijd met het voorschrift van art. 35
ilid 1 Krankzinnigenwet: ‘’De president beslist binnen 3 dagen .....’’. De beschikking zou daarom in cassatie dienen te worden vernietigd.
iKrankzinnigenwet, vangt de termijn aan, nadat de Officier van Justitie de voortzetting van de inbewaringstelling heeft gevorderd. Beslissend is aldus de dag, waarop de vordering ter Griffie van de Rechtbank is ontvangen. Eerder kan niet worden gezegd dat bij de President een vordering is gedaan, en kan ook niet worden verwacht dat de President met zijn onderzoek aanvangt. Voor wat betreft de afzending zal de Officier van Justitie het onder 2 hierboven vermelde voorschrift in acht moeten nemen.
iKrankzinnigenwet geen aanhaking te vinden, dat men hier van de algemene gedachte van de Algemene termijnenwet — waarbij ook art. 2 betreffende Pro een termijn van ‘’tenminste drie dagen’’ van belang is; vgl. M.v.T., Zitting 1962–1963 - 7112, stuk nr. 3, p. 4 bij art. 2 Algemene Pro Termijnenwet van 25 juli 1964 S. 314 — heeft willen afwijken. De huidige tekst ontstond naar aanleiding van het V.V., Zitting 1963–1964 - 7194, stuk nr. 4, p. 2 r.k. en p. 3 l.k. bij de wet van 28 augustus 1970 S. 430, welke art. 35
iin de Krankzinnigenwet bracht. Vgl. M.v.A., Zitting 1967–1968 - 7194, stuk nr. 5, p. 2 l.k. ‘’Ad 1 onder A’’, p. 6 r.k.; Nota van Wijzigingen, stuk 6, p. 3; Verslag van mondeling overleg, tevens eindverslag, Zitting 1968–1969 - 7194, stuk nr. 8, p. 5/6.