ECLI:NL:PHR:1985:AB7744
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen verhoor bij toezenden schriftelijke vragen aan verdachte volgens art. 29 Sv
In deze zaak werd de verdachte in hoger beroep bij verstek veroordeeld wegens een verkeersovertreding waarbij hij te hard zou hebben gereden. Tegen dit vonnis werd cassatie ingesteld met het middel dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de verdachte zonder cautie was verhoord. De politie had namelijk een antwoordkaart gestuurd waarop de verdachte als kentekenhouder kon aangeven wie de overtreding had begaan, zonder te vermelden dat hij niet verplicht was te antwoorden, zoals vereist volgens art. 29 lid 2 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde echter dat het toezenden van schriftelijke vragen niet kan worden aangemerkt als een verhoor in de zin van art. 29 Sv Pro. Dit artikel ziet op mondelinge verhoren waarbij sprake is van directe confrontatie en druk, wat hier ontbreekt. Bovendien is de persoon aan wie de vragen worden gesteld nog geen verdachte in de zin van het strafprocesrecht, maar wordt juist getracht te achterhalen wie de verdachte is.
De Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het gebruik van schriftelijke vragen in dit kader geen onrechtmatig bewijs oplevert. Tevens werd opgemerkt dat het verplicht vermelden dat men niet hoeft te antwoorden de effectiviteit van het onderzoek zou ondermijnen. De conclusie van de Procureur-Generaal werd gevolgd en het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen omdat het toezenden van schriftelijke vragen geen verhoor is in de zin van art. 29 Sv.