ECLI:NL:PHR:1985:AC0823
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens bloedproefweigering ondanks latere instemming
In deze zaak is verdachte door het hof veroordeeld wegens het handelen in strijd met artikel 33a, derde lid van de Wegenverkeerswet, namelijk het weigeren van een bloedproef. Verdachte had aanvankelijk geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek, maar gaf later aan dit alsnog te willen ondergaan. Het hof legde een geldboete, een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en een voorwaardelijke hechtenis op.
Verdachte stelde cassatieberoep in met het middel dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van bloedproefweigering, ondanks zijn latere instemming. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest uit 1978 waarin is bepaald dat een eenmaal geweigerde bloedproef niet alsnog kan worden afgenomen.
De Hoge Raad acht het middel niet aannemelijk en verwerpt het cassatieberoep. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de strafmotivering begrijpelijk is, waarbij de voorwaardelijkheid van de ontzegging van de rijbevoegdheid blijk geeft van voldoende begrip voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens bloedproefweigering blijft in stand.