Conclusie
Zitting 28 februari 1986
aanvullendeconclusie - de eerste conclusie werd ter zitting van 6 december 1985 genomen en behandelde van de cassatiemiddelen slechts nr. IV, over de terugwerkende kracht van gewijzigde rechtspraak - ingaan op de in de middelen II en III aan de orde gestelde vraag naar de voor [verweerder] destijds opengestaan hebbende mogelijkheden voor het instellen van AROB-beroep en, in verband daarmee, naar de toewijsbaarheid van zijn vordering ex art. 1395 BW Pro.
onderdeel 2van
middel IIzegt? Het onderdeel verbindt daaraan de gevolgtrekking, dat nu [verweerder] van de AROB-rechtsgang geen gebruik heeft gemaakt, die beschikking onaantastbaar is geworden en de burgerlijke rechter bij zijn oordeel over de verschuldigdheid van de betaling van de rechtsgeldigheid van bedoelde beschikking behoort uit te gaan.
middel IIlees ik mede de klacht dat het hof die beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze klacht acht ik gegrond, nu immers het hof over de problematiek zelf heeft gezwegen. Tot cassatie kan zulks echter niet leiden indien geoordeeld moet worden dat de in middel II besloten materiële klacht, dat het hof van de onaantastbaarheid van de "beschikking" dd. 13 juni 1977 en daarmee van de rechtsgeldigheid van de daarop gebaseerde overeenkomst tussen partijen had moeten uitgaan, niet gegrond is.
vordering uit onverschuldigde betaling(art. 1395 lid 1 BW Pro) als de onderhavige moet voor de gewone,
burgerlijke rechterworden gebracht. Een dergelijke vordering richt zich tegen een weigering om het betaalde terug te betalen en zo'n weigering is een "rechtshandeling naar burgerlijk recht" in de zin van art. 2 lid 2 sub b Wet Pro AROB, nu er geen publiekrechtelijke regeling ("titel") bestaat waarop het verzoek tot terugbetaling kan worden gebaseerd. Aldus: conclusie OM voor HR 11 december 1981, NJ 1983, 320, p. 1005 rechts, en de noot van Borman onder dat arrest, p. 1006 links; AR 21 juni 1979, nr. A - 3.1535 (1978), overgelegd door [verweerder] bij nadere conclusie in eerste aanleg dd. 12 september 1980; AR 27 maart 1981, AB 1981, 323 (JAB), GS 6669 (Maastricht II); AR 25 mei 1981, AB 1981 , 516 (JAB), GS 6686, BR 1981, p. 780 (De Bilt II); HR 19 november 1976, NJ 1979, 216 (MS), AB 1978, 243 (J.R.St.); AR 3 november 1981, BR 1982, p. 167; J. de Boer in R.M. Themis 1981, p. 278 e.v.; Ten Berge/Stroink, "Administratieve Rechtspraak Overheidsbeschikkingen" V, p. 877-878; J.M. Polak in NJB 1981, p. 693; A. Walter de Bruin in BR 1984, p. 780.
volledige toetsingvan de gestelde
onverschuldigdheidvan de betaling.
vande overheid
tegende burger. De rechtsbescherming
tegende overheid is hier in haar tegendeel komen te verkeren. Dat komt in de onderhavige zaak dan ook duidelijk tot uiting. Als de brief dd. 13 juni 1977 rechtens als een onaantastbare AROB-beschikking heeft te gelden, dan is daarmee het lot van [verweerder] condictio indebiti - afgezien van de in mijn conclusie dd. 6 december 1985 voorgestane gegrondheid van middel IV - bezegeld. De administratieve rechter biedt misschien een betere bescherming tegen de overheid, maar men moet er, vergelijkenderwijs, als particulier wel als de kippen bij zijn.
onverschuldigdheidvan de betaling tussen partijen
niet in geschil is, dan gaat de burgerlijke rechter daarvan, als van een vaststaand feit, uit - ook al zou rechtens die onverschuldigdheid mede afhangen van de (on-)geldigheid van een beschikking. Zie HR 24 december 1976, NJ 1977, 380, BR 1977, 272.
middelonderdelen III (1-3)gerichte motiveringsklachten, naar het mij voorkomt, gegrond. Reeds in haar conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft de Gemeente gemotiveerd bestreden dat de ROPB en de "beschikking" dd. 13 juni 1977 met de daarop volgende "overeenkomst" in strijd met enige wettelijke bepaling zijn en in administratief beroep of door de administratieve rechter zouden zijn vernietigd. De Gemeente heeft zich in dit verband o.m. op het Hoogeloon-arrest van uw Raad (HR 2 februari 1966, NJ 1966, 415 m.nt. NJP, ARB 1966, 579 m.nt. J.R.St., BR 1966, p. 266, AA 1967, p. 137 m.nt. Prins) beroepen. Zie de conclusie van antwoord sub 4 en 6-10; dupliek sub 7, 35-43, 45, 47-50, 56, 57, 60-63; nadere conclusie dd. 21 november 1980, p. 2 ("ad 5 + 6"), 3, 4; memorie van grieven p. 9 (sub 5.2.4) en p. 10. Dat ook [verweerder] de stellingen van de Gemeente heeft opgevat als een pleidooi voor de rechtsgeldigheid van de grondslag van diens litigieuze betaling, blijkt uit de bestrijding van dat pleidooi, tot in hoger beroep: memorie van antwoord p. 3-5, 10, 11. In r.o. 5.4 geeft het hof aan dat de Gemeente in haar pleitnota in hoger beroep, p. 13, het standpunt van [verweerder] heeft onderschreven. Dat zou dan betekenen dat de Gemeente ten pleidooie opeens haar verweren op dit punt, die zij tevoren in de gedingstukken op de door mij genoemde plaatsen breed had uitgemeten, zou hebben prijsgegeven. Ik acht deze interpretatie van p. 13 van de pleitnota onbegrijpelijk in het licht van de vorenbedoelde stellingen van de Gemeente en ook in het licht van de overige inhoud van die pleitnota waaruit duidelijk blijkt, dat de Gemeente haar beroep op de materiële rechtsgeldigheid van de betalingsgrondslagen handhaaft; zie p. 8 (sub 2.5), 10-11 van meergemelde pleitnota. De passage op p. 13 van dat stuk waarop het hof in r.o. 5.4 doelt, luidt:
dat de Gemeente tot terugbetaling gehouden zou zijn geweest indien [verweerder] de administratieve weg zou hebben bewandeld"
en(indien) ...., dan. Het hof heeft dat miskend en het door mij onderstreepte woordje "en" opgevat als: "omdat in dat geval". Die uitleg van de geciteerde passage uit de pleitnota is, als gezegd, onbegrijpelijk in het licht van de verdere inhoud van de gedingstukken.
middel III onder 1-3ontwikkelde motiveringsklachten naar mijn mening gegrond.
formele rechtskrachtvan die beschikking. Met name uit haar pleitnota in hoger beroep blijkt van een sterke nadruk op dat aspect, waarop trouwens de Gemeente mede haar stelling dat [verweerder] niet onverschuldigd heeft betaald, fundeerde. In r.o. 5.6 heeft het hof het beroep op die formele rechtskracht verworpen om "redenen van proceseconomie". Hiertegen komen de
middelonderdelen III.3 (slot) en III.4, naar het mij toeschijnt, terecht op. De formele rechtskracht van een niet in AROB-beroep aangevallen en daardoor onherroepelijk geworden AROB-beschikking berust mede op het
rechtszekerheidsbeginsel. Na het verstrijken van de beroepstermijn kan geen AROB-beroep meer worden ingesteld. Alle betrokkenen hebben daardoor de zekerheid verkregen dat de beschikking in stand blijft, althans niet meer in AROB-beroep kan worden vernietigd. Dat is niet alleen voor de belanghebbende particulier maar ook voor de betrokken bestuursinstantie van grote betekenis, ook met het oog op het in de toekomst voor gelijksoortige gevallen te voeren beleid en de financiële consequenties daarvan. Het gaat niet aan om jaren na dato een beschikking, op de rechtsgeldigheid waarvan reeds lang is en mocht worden vertrouwd, alsnog aan te tasten en van haar effecten te beroven langs een daarvoor niet in de eerste plaats gegeven weg, t.w. een gewone civiele procedure. Zie het hiervóór, sub 4, gestelde.
1-4 van middel IIIkan, als ik het goed zie, alleen dan tot cassatie leiden indien aan [verweerder] AROB- beroep had opengestaan in voege als aangevoerd door
onderdeel 2 van middel II.
middel II, waarin wordt geponeerd dat voor [verweerder] een AROB-rechtsgang beschikbaar was.
4.1. Uit het boven sub 2 en 3 overwogene vloeit voort, dat als de vergoeding door [verweerder] is betaald op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente , deze overeenkomst nietig is wegens ongeoorloofde oorzaak op grond van strijd met de wet, waaruit weer volgt dat [verweerder] de door hem betaalde vergoeding als onverschuldigd betaald kan terugvorderen."
positiefof een
negatief jurisdictieconflictkan voordoen. De burgerlijke rechter moet beslissen of hij zelf dan wel de AROB-rechter bevoegd is te oordelen over een bepaalde vraag. Aan "etikettering" als "beschikking" dan wel als "rechtshandeling naar burgerlijk recht", in verband met de rechtsmacht van de rechter, valt niet te ontkomen, zoals Bloembergen in Bouwrecht 1979, p. 377 rechts, in zijn bespreking van na te noemen boek van De Haan c.s. heeft opgemerkt. De uitkomst kan blijken te zijn dat beide rechters zichzelf bevoegd (positief conflict) dan wel onbevoegd (negatief conflict) achten. Zulke conflicten zijn onaangenaam, maar blijkbaar niet altijd te vermijden, met name niet zolang de maatstaven die de burgerlijke en de administratieve rechter aanleggen, niet volledig identiek zijn. Naar die identiteit dient te worden gestreefd. Dat brengt mee dat de AROB-jurisprudentie door uw Raad mede in aanmerking genomen en zoveel mogelijk gevolgd moet worden. Zie Van Dijk/Konijnenbelt, "Hoofdstukken van administratief recht" (1984), p. 188-189 met noot 90, en Borman in HNJV 1981, p. 53.
dat de wetgever in beginsel aanvaardbaar heeft geacht dat een gemeente privaatrechtelijke middelen (en met name: overeenkomsten; F.) hanteert ter verkrijging van een bijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut, waaronder wegen."
overeenkomst zelfis een rechtshandeling naar burgerlijk recht in de zin van art. 2 lid 2 sub c Wet Pro AROB. Zie: AR 3 januari 1979, AB 1980, 614, BR 1979, p. 433; AR 2 maart 1984, AB 1984, 540 (m.nt. Gerritzen-Rode); De Haan, Drupsteen en Fernhout, "Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat" (1978) p. 258. Het aantasten van de overeenkomst geschiedt terecht voor de gewone burgerlijke rechter.
aanbodtot het sluiten van een overeenkomst met een bepaalde inhoud (art. 6.5.2.1 NBW).
besluittot:
sluitenvan bedoelde overeenkomst met hem, en tot
weigeringvan de gevraagde vergunning onder een voorwaarde, t.w. dat [verweerder]
nietzou instemmen met het sluiten van die overeenkomst.
a) komt tot uiting in r.o. 4.2 en 4.3 (laatste drie alinea's), en het tweeledige besluitkarakter (
b) komt naar voren in r.o. 4.3, met name in de eerste twee daarin vermelde "redenen".
abedoelde aanbod, dan zou daarin een rechtshandeling naar burgerlijk recht en geen "arobabele" beschikking gezien mogen worden. Vgl. AR 14 augustus 1980, GS 6641, over een prijsopgave voor de aanleg van een inrit, die werd gekwalificeerd als (uitsluitend) een aanbod gericht op het totstandkomen van een privaatrechtelijke overeenkomst, en niet tevens een beslissing met betrekking tot het verlenen van een ontheffing voor het hebben van een uitweg. Zie Loeb, "De wet AROB toegepast" (1983), p. 157, en Bloembergen, "Contracten met de overheid" (1976), p. 12 e.v.
b- 1°, het besluit van de Gemeente tot het aangaan van een overeenkomst met [verweerder] , dan is het antwoord op de vraag: arobabele beschikking? minder eenvoudig.
bestuursrechtelijke titel, ook in de gevallen waarin sprake is van een overeenkomst. Zie HNJV 1981, met name p. 36 e.v. Die bestuursrechtelijke titel kan, maar behoeft niet een concreet, direct aanwijsbaar wettelijk voorschrift te zijn. De AR neemt soms genoegen met "de uitvoering van een publiekrechtelijke taak". In zo'n geval prevaleert dan de bestuursrechtelijke inhoud boven de privaatrechtelijke vorm. De omstandigheid dat het bestuursorgaan eigenaar is van bijv. een openbare weg, is voor de kwalificatie beschikking/rechtshandeling naar burgerlijk recht, niet beslissend. Zie Borman, a.w., p. 42-50, met gegevens uit de AR-jurisprudentie.
Het heeft er .... de schijn van dat zodra maar een overeenkomstvorm in het spel is zonder argumenteren en haast automatisch naar de term "rechtshandeling naar burgerlijk recht" wordt gegrepen."
totstandkomenvan een privaatrechtelijke overeenkomst tengevolge heeft dat het daaraan voorafgaande (eenzijdige) aanbod van het bestuursorgaan niet tevens een AROB-beschikking
kanzijn?
bouwvergunning, van een privaatrechtelijke overeenkomst ter verkrijging van een financiële bijdrage in verband met de verzwaring van een
uitwegnaar een aan de gemeente in eigendom toebehorende weg, waartoe de gemeente ongevraagd toestemming verleende; nadat die overeenkomst is gesloten heeft de gemeente de gevraagde bouwvergunning verleend. Zie hierover (o.a.) Punt, preadvies NJV 1981, p. 141 e.v.
1. Ingevolge art. 1 van Pro de door de raad der gemeente Maastricht op 8 jan. 1974 vastgestelde "Bijdrageregeling ontsluiting particulier bouwterrein" worden privaatrechtelijke toestemmingen tot uitwegen op aan de gemeente in eigendom toebehorende of bij haar in beheer zijnde wegen, vereist bij voorgenomen bebouwing of uitbreiding van bestaande bebouwing op terreinen, gelegen langs die wegen, door de gemeente slechts verleend, indien en nadat op basis van in de regeling nader omschreven grondslagen door de aanvragers aan de gemeente een bijdrage is betaald in de door haar gemaakte en/of te maken kosten van bouwrijp maken.
wastoen nog geen overeenkomst
gesloten. [verweerder] was, althans in juridische zin, na ontvangst van die brief nog vrij al dan niet met de Gemeente te contracteren. Uit de vaststellingen van rechtbank en hof blijkt niet dat de overeenkomst tot stand is gekomen op enig moment voordat [verweerder] , door betaling van het litigieuze bedrag van f. 3.216,--, aan de overeenkomst uitvoering gaf en aldus het aanbod van de Gemeente aanvaardde.
isblijft de arobabele beschikking een arobabele beschikking, ook al wordt de instemming van de belanghebbende, in de vorm van die overeenkomst, verlangd. [verweerder] had voor het bereiken van zijn doel, het verkrijgen van een bouwvergunning, geen andere optie: hij "moest" de hem aangeboden overeenkomst sluiten, wilde hij niet afzien van de bouwvergunning. Het "aanbod" was daardoor een vorm van bestuursdwang; zie Borman in zijn noot onder HR 11 december 1981, NJ 1983, 320, sub 4 en 5. Hier is, zoals [verweerder] vooral in hoger beroep met veel nadruk heeft betoogd, sprake van een "heffing" net zoals in de zaken-Maastricht 1 etc.
overeenkomsteen rechtshandeling naar burgerlijk recht was. Over het bestreden
besluitzelf werd slechts gezegd dat er "geen aanknopingspunten" waren om te oordelen dat het "niettemin" een AROB-beschikking was, en dat het evenmin een weigering om zo'n beschikking te nemen, behelsde. Zie het commentaar van De Haan in BR 1980, p. 330-332, die opmerkt en betreurt (p. 330 sub 4) dat de A.R. het
op het gebied van de rechterlijke toetsing van het grondbeleid van Rijk en gemeente volledig laat afweten".
onderdeel 2van
middel IIgegrond. De overige cassatieklachten kunnen m.i. onbesproken blijven.
middel IV, anders dan ik in mijn conclusie dd. 6 december 1985 betoogde, niet gegrond zou zijn, zal het bestreden arrest wegens gegrondheid van
middelonderdelen II (2) en III (1-4)niet in stand kunnen blijven.