Conclusie
De feiten en het verloop van de procedure.
te goeder trouwwas zoals voor de bescherming op grond van die wetsbepaling vereist.
Grief I: De rechtbank heet ten onrechte als tussen partijen vaststaand feit weergegeven, dat op 2 maart 1979 [betrokkene 2] aan [verweerder], de auto alsmede het kentekenbewijs deel I, II en III heeft geleverd. Dit is niet juist daar uit de overgelegde afdruk van het kentekenregister blijkt dat het kenteken eerst op 14 maart 1979 ten name van [verweerder] is hersteld.
art. 2014 BW Prozoals het in 1979 gold en m.i. thans nog geldt. Voor anticiperende toepassing van de NBW-regeling, die haar definitieve vorm nog niet gekregen lijkt te hebben, is, naar het mij voorkomt, onvoldoende grond. De functie van
art. 2014 BW Prolaat zich aanduiden als volgt: de verkrijger C is, mits te goeder trouw, beschermd tegen de revindicatie van de vorige eigenaar A die de auto had toevertrouwd aan B, de beschikkingsonbevoegde “ontrouwe houder”.
te kwader trouwis, d.w.z. weet dat hij zelf geen eigenaar is en ook niet bevoegd over de zaak te beschikken.
voordeelvan de laatste verkrijger (F) werken:
goedetrouw bij C of D of E heeft het gebrek in de transactie B/C op zodat F eigenaar wordt ook al kende hij dat gebrek, d.w.z. de beschikkingsonbevoegdheid van B. Zie: conclusie OM voor HR 24 nov. 1967, NJ 1968, 74 (H.D.), p. 263 rechts; Pitlo-Brahn, “Het zakenrecht” (1980), p. 200; Schut, “Bezit geldt als volkomen titel” (1980), p. 61-62. Enigszins anders: Asser-Beekhuis 3-I, “Zakenrecht” (1985), nr 524 p. 362-363. Met toerekening van de
goedetrouw van C, enz., aan F heeft dat echter niets te maken; hier is slechts sprake van toepassing van art. 639 BW Pro: F verkreeg van de beschikkingsbevoegde E.
moet komen vast te staanomdat anders [betrokkene 2] en daarna diens rechtsopvolger [verweerder]
ongeacht de goede trouw van laatstgenoemdeeigenaar zou zijn geworden, zou daarmee de vraag rijzen òf in dit geding [betrokkene 2]’ kwade trouw als in cassatie
vaststaandheeft te gelden. Zo nee, dan zou [eiser] revindicatie immers reeds hierop stranden en zou het hof – daargelaten de daarvoor gebezigde gronden – een juiste beslissing hebben gegeven, zodat het middel reeds wegens gebrek aan belang zou stranden.
bij de verkrijging van de auto– het beslissende tijdstip; zie hierna, onder 4 – niet ter sprake gekomen. Het komt mij, gelet op een en ander, voor dat in cassatie van de kwade trouw van [betrokkene 2] toen hij de auto van [betrokkene 1] verkreeg moet worden uitgegaan, zodat het cassatiemiddel wèl behandeld dient te worden.
verkregen krachtens vertegenwoordigingdoor zijn voorman (B), dus zoals wel is verdedigd: door constitutum possessorium. De
kwadetrouw van B zou dan aan C moeten worden toegerekend, zodat C niet beschermd wordt door art. 2014 BW Pro. Zie echter HR 29 september 1961, NJ 1962, 14, met een kritische noot van Beekhuis. Afgezien van het kwade trouw-aspect geldt, dat bij onbevoegde levering door constitutum possessorium door houder (B) het bezit niet overgaat op C. Zie laatstgenoemd arrest (NJ 1962, 14) en Asser-Beekhuis 3-I (1985), nrs. 214 en 531. Ik laat dit verder daar, nu in de onderhavige zaak [verweerder] de auto niet door vertegenwoordiging of door constitutum possessorium heeft verkregen.
onderdeel 6, zich richtend tegen r.o. 7 van ’s hofs arrest, betreft, dat onderdeel gaan ervan uit dat de omstandigheid dat [betrokkene 2] – bij het verzorgen van de
overschrijvingvan het kentekenbewijs op naam [verweerder] optredend als diens gemachtigde – wist dat kopie deel III van het kentekenbewijs ontbrak en in die zin te kwader trouw was, meebrengt dat ook [verweerder] niet te goede trouw was, nu immers de kwade trouw van [betrokkene 2] als gemachtigde van [verweerder] aan laatstgenoemde moet worden toegerekend.
overdracht (de verkrijging)van de auto, dus op 2 maart 1979, te goeder trouw was. Zie: Asser-Beekhuis 3-I (1985), nr. 523, p. 362; HR 5 mei 1950, NJ 1951, 1 (D.J.V.): “… de verkrijger te goeder trouw …”; HR 8 juni 1973, NJ 1974, 346 (W.K.), p. 933 rechts en p. 934 links onderaan; conclusie OM voor HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (WMK), p. 439 rechts onderaan – 440 links bovenaan. Ook het NBW verbindt de eis van goede trouw aan de hoedanigheid van verkrijger en aan het tijdstip van de verkrijging. Zie: art. 3.4.2.3a lid 1 en lid 3, en art. 3.4.2.3aa lid 1 (Van Zeben, Boek 3, p. 335, 341, 345); M.v.A. II op art. 3.4.2.5 (Van Zeben, Boek 3, p. 386); art. 453a lid 2 Rv. in wetsontwerp nr. 16593 met de M.v.T (p. 37) en de M.v.A. (p. 14), beide verwijzend naar art. 3.4.2.5; Hartkamp, “Compendium van het vermogensrecht volgens het nieuwe burgerlijk wetboek”(1984), p. 76.
nade verkrijging van de auto door [verweerder] plaats. Die overschrijving speelt ten aanzien van de eventuele eigendomsverkrijging door [verweerder] geen rol en derhalve evenmin ten aanzien van diens eventuele goede trouw. Bij de verkrijging van da auto door [verweerder] trad [betrokkene 2], als gezegd, niet als diens vertegenwoordiger op.
goede trouwbij art. 2014 BW Pro in? Zie Asser-Beekhuis 3-I (1985). nrs. 525, 526 en 102 e.v. De verkrijger is slechts te goeder trouw indien hij niet wist noch behoorde te weten dat zijn voorganger, de vervreemder, beschikkingsonbevoegd was. Zie art. 3.5.12 lid 1 en 3.4.2.3a j
o3.4.2.3aa NBW. Dat kan betekenen dat op de verkrijger de plicht rustte een nader onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van de voorganger in te stellen. Dit geldt met name wanneer de verkrijger reden had om te twijfelen aan die beschikkingsbevoegdheid: HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (WMK), r.o. 2; J.C. van Oven, WPNR 1956 (4439); J. Wiarda, WPNR 1958 (4548); H. Drion in zijn noot onder HR 24 november 1967, NJ 1968, 74; Schut, “Bezit geldt als volkomen titel” (1980), p. 33-34 en 60-63; Pitlo-Brahn, “Zakenrecht” (1980), p. 202-205; Mijnssen en Schut, “Bezit, levering en overdracht volgens BW en NBW” (1984), p. 130; Hartkamp, “Aard en opzet van het nieuwe vermogensrecht”(Monografieën Nieuw BW, 1982), p. 62, en “Compendium van het vermogensrecht volgens het nieuwe BW” (1984), p. 36-37; B. Groefsema, Ars Aequi 1984 p. 73; Asser-Beekhuis 3-I (1985), p. 363 nr. 525; art. 3.1.1.12 NBW en de M.v.T II daarop, nr. 17496 p. 8 en 9. In dezelfde zin over de bescherming van de pandhouder (art. 1198 lid 5 BW Pro): HR 12 juni 1970, NJ 1971, 203 (Ph.A.N.H.).
de verkrijger van een verduisterde auto. Ik citeer:
kentekenregistratievan motorrijtuigen is geregeld in de Wegenverkeerswet zoals gewijzigd bij de wet van 26 september 1974, Stb. 546, en in het daarop berustende Reglement kentekenregistratie (RKR) (A.M.v.B. van 26 september 1974, Stb. 547). Bij genoemde wet van 1974 werd beoogd (en ik citeer nu de Toelichting, p. 10 (links, sub 2) bij de Nota van wijzigingen nr. 12637-6):
kentekenstelselslechts een beperkte betekenis toekomt voor de
goede trouw-eis van art. 2014 BW Pro. De tenaamstelling van de nieuwe eigenaar is niet zonder meer verbonden aan de eigendomsovergang. Een auto kan door B en C in eigendom worden overgedragen ook indien B niet beschikt over een geldig deel III van het kentekenbewijs, zie art. 9 lid 6 RKR Pro. Hierbij past niet aan de goede trouw van de verkrijger van een beschikkingsonbevoegde, die zich op art. 2014 BW Pro beroept, de eis te stellen dat hij zich vergewist van de aanwezigheid van kopie deel III ook in gevallen zoals het onderhavige waarin de identiteit van de voorman, [betrokkene 2], bekend is. Juist deze laatst genoemde omstandigheid is van belang en draagt er in aanzienlijke mate toe bij dat [verweerder] geen reden had om te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2]. Het belangrijkste verschil met de casus van HR 24 november 1974 meergenoemd lijkt me echter, dat in de onderhavige zaak het kentekenbewijs ten tijde van de transactie [betrokkene 2]-[verweerder] wèl op naam van de voornam, [betrokkene 2], stond, en wel reeds sedert 15 januari 1979, zoals blijkt uit de antwoord-akte van [verweerder] d.d. 8 juli 1982 met de bijbehorende produktie. Zou [verweerder] voor of bij de verkrijging op 2 maart 1979 naar de papieren hebben gevraagd, dan had [betrokkene 2] hem een volledig ten name van [betrokkene 2] gesteld kentekenbewijs hebben kunnen laten zien. Informeren bij het kentekenregister zou niet tot een andere uitkomst hebben geleid. Zie (het hier niet rechtstreeks toepasselijke) art. 3.1.2.6 over registergoederen. Het gaat m.i. te ver om nu bovendien te eisen dat [verweerder] naar het (ontbrekende) kopie deel III had moeten vragen. Daarvoor bestond m.i. onvoldoende aanleiding. Met het kentekenbewijs zelfs was op 2 maart 1979 alles in orde. Het stelsel van art. 3.1.1.12 NBW brengt – mede gelet op art. 3.1.2.6 – mee dat [verweerder] is te beschouwen als iemand die op 2 maart 1979 er van uit mocht gaan dat de auto ten name van zijn voorman [betrokkene 2] stond en dat derhalve de overschrijving te diens name in het verleden, zoals door de wettelijke regelingen vereist, was gerealiseerd. Aanleiding voor [verweerder] om op 2 maart 1979 te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2] was er daarom niet. Op grond daarvan was er evenmin reden om te vragen naar het niet van het kentekenbewijs zelfs deel uitmakende kopie deel III.
reputatievan de voorman (diens “bekendheid” in gunstige of ongunstige zin, waaraan HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (r.o. 2, tweede alinea, tweede zin) betekenis heeft toegekend voor de goede trouw), [betrokkene 2], in het onderhavige geval niet ter zake. Zoals
onderdeel 5van het middel aanvoert heeft [eiser] gesteld dat [betrokkene 2] “niet als bonafide autohandelaar bekend stond”(arrest hof, r.o. 5). Het hof heeft die stelling klaarblijkelijk niet ter zake dienende geacht, nu daarin – volgens ’s hofs lezing van die stelling – niet besloten ligt dat de reputatie van [betrokkene 2] zodanig slechts was dat [verweerder] met een onbevoegd handelen door [betrokkene 2] bij voorbaat rekening moet houden. Op deze feitelijke en niet onbegrijpelijke beslissingen van het hof stuit onderdeel 5 af.
onderdeel 2gemaakte verwijt dat het hof voor de goede trouw van [verweerder] geen betekenis had mogen toekennen aan
het feitvan de overschrijving van het kentekenbewijs op diens naam, nu immers die tenaamstelling heeft plaatsgehad
nade verkrijging van de auto op 2 maart 1979, en [verweerder] niet voor 14 maart 1979 de zekerheid had dat het kentekenbewijs op zijn naam was overgeschreven. Het hof gaat hier van uit, blijkens r.o. 3. In de eerste instantie lag dat nog anders: de rechtbank had feitelijk vastgesteld dat [betrokkene 2] het driedelig kentekenbewijs op 2 maart 1979, bij de verkrijging van de auto door [verweerder], aan laatstgenoemde heeft geleverd, welk feit de rechtbank vervolgens mede heeft gebezigd als grond voor de beslissing dat [verweerder] te goeder trouw was. Het hof acht in r.o. 3 grief I gegrond en verplaatst de “levering” van het kentekenbewijs naar 14 maart 1979, zijnde 12 dagen na verkrijging van de auto. Het
feitvan de tenaamstelling van [verweerder] kan derhalve, zoals onderdeel 2 betoogt, niet meer dienen om de goede trouw van [verweerder] bij de verkrijging te adstrueren. Tot cassatie kan zulks echter niet leiden wanneer men zich realiseert dat [betrokkene 2] op 2 maart 1979 een kentekenbewijs, op zijn eigen naam gesteld, beschikbaar had en wanneer men, met mij van mening is dat onder deze omstandigheden [verweerder] geen reden had te twijfelen aan de beschikkingsbevoegdheid van [betrokkene 2]. Zie, voor het vertrouwen dat in de kentekenregistratie mag worden gesteld in een geheel andersoortige casus: HR 4 februari 1983, NJ 1983, 546, met de conclusie OM, p. 1737.
onderdelen 3 en 4van het middel vast.
onderdeel 1, dat een inleidend karakter heeft, komt geen zelfstandige betekenis toe.