ECLI:NL:PHR:1986:AC9355
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toekenning van kosten raadsman na beëindiging strafzaak onder art. 591a Sv.
In deze zaak is door een gewezen verdachte een verzoek tot vergoeding van kosten ingediend op grond van art. 591a Sv., nadat hij door de politierechter was vrijgesproken. De rechtbank wees de vergoeding van kosten die na beëindiging van de strafzaak waren gemaakt af, met de motivering dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad betoogt dat deze uitleg te beperkt is. Volgens hem omvat de vergoeding van kosten van een raadsman ook kosten die voortvloeien uit de bemoeienissen met het verzoek tot kostenvergoeding zelf, ook indien deze na de beëindiging van de strafzaak zijn ontstaan.
Hij verwijst daarbij naar jurisprudentie en literatuur die stellen dat de wet geen beperking geeft aan het tijdstip waarop de kosten zijn gemaakt, zolang ze verband houden met de zaak en het verzoek tot vergoeding. De Hoge Raad wordt verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen wegens schending van het recht en onjuiste motivering.
De zaak betreft de uitleg van art. 591a Sv. en de reikwijdte van de vergoeding van kosten van een raadsman, met name of kosten na de strafzaak kunnen worden vergoed. Dit arrest verduidelijkt de interpretatie van deze wettelijke regeling.
Uitkomst: De Hoge Raad overweegt dat kosten van een raadsman die na beëindiging van de strafzaak zijn gemaakt, in aanmerking kunnen komen voor vergoeding onder art. 591a Sv.