Conclusie
nr. 12.728
Zitting 9 mei 1986
Feiten en procesverloop.
kort geding, waarin thans verweersters in cassatie in hoger beroep gekomen waren van een vonnis van de president van de rechtbank te Zutphen dd. 15 december 1983, in r.o. 3 de navolgende feiten vastgesteld:
- Appellante sub 2 verhuurt in Nederland voor een huurprijs van ongeveer f 10.000,- per jaar Decca -ontvangers, genaamd "Mark", welke zij betrekt van appellante sub 1;
- Appellante sub 3 is merkhouder van het bij het Benelux-Merken-bureau gedeponeerde woordmerk " Decca ";
- Geen van appellanten heeft octrooirechten op bovenbedoeld radionavigatiesysteem;
- Geïntimeerde importeert en verkoopt tegen een prijs van ongeveer f 10.000,- zelfstandig in Nederland radio-ontvangers van het merk Rauff en Sorensen, genaamd "Shipmate", type RS 4000 en RS 4000 C, die zijn ontwikkeld en bestemd om gebruik te maken van het '' Decca Navigator System" en enkel daarvoor bruikbaar zijn. Zij draagt niet bij in de instandbouding van de radiozenstations van appellante sub 1."
principalecassatiemiddel richt zich in al zijn onderdelen tegen r.o. 9 van het bestreden arrest, luidende:
binnendringenin afzetgebied" op als "begeleidende omstandigheid" bij de "
nabootsing" van het produkt van een concurrent. Zie ook Drucker-Bodenhausen-Wichers Hoeth, "Kort begrip van het recht betreffende de intellectuele eigendom" (1984), p. 198.
bestemmingvan de ontvangers: zij zijn bestemd om te worden gebruikt om de DNS-signalen op te vangen en te verwerken en
uitsluitend daarvoor geschikt. Dit leid ik af uit de feitelijke vaststellingen van het bestreden arrest en uit r.o. 9 meergenoemd; zie ook de pleitnota van Holland Nautic 's raadsman d.d. 28 februari 1986, nr. 53.
b. exclusieve DNS-bestemming van die ontvangers;
c. de uit
bvoortvloeiende totale afhankelijkheid van de ontvangers als ene component van het DNS-systeem als geheel, ten opzichte van de andere component, de zendstations.
De ontvangers zijn slechts bruikbaar en bewijzen slechts bun nut indien en zolang de zendstations in werking (exploitatie) zijn. Wat de Holland Nautic -ontvangers beogen is het van hun plaats dringen van de Decca -ontvangers binnen het DNS-systeem als geheel. Alleen daarvoor zijn zij geschikt. Holland Nautic heeft, zoals Decca c.s. in hun memorie van grieven in hoger beroep, p. 5, sub d, aangegeven, "ingebroken" in het "zowel in financieel als in technisch opzicht ….. gesloten" DNS-systeem.
Nu het hier aankomt op de bijzondere omstandigheden van het geval, ligt het voor de cassatierechter voor de hand terughoudendheid te betrachten bij de toetsing van het gewoonlijk met feitelijke waarderingen verweven oordeel van de judex facti. Daaraan doet niet af dat, zoals uit het vermelde overzicht van Martens blijkt, de Hoge Raad enige malen in "subregels" zulke bijkomende omstandigheden heeft aangewezen. Over een casus als de onderhavige heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten.
gebruikersbetreft, slechts worden doorberekend in de prijzen van de ontvangers en zijn in enkele gevallen, wat
concurrentenbetreft, "doorberekend" in licentieovereenkomsten.
redelijke vergoeding" ter bestrijding van de kosten van instandhouding van de zendstations; die vergoeding zou aan het "binnendringen" door Nautic Holland de onrechtmatigheid ontnemen. Zie Bregstein's door HR 19 december 1952, NJ 1953, 642 (met de noot van Houwing, met name op p. 1193) aanvaarde constructie van het betalen van schadevergoeding als een rechtvaardigingsgrond voor overigens onrechtmatig handelen. Vergl. Jansen in de losbladige "Onrechtmatige daad" I nrs. 229 e.v.
De grondslag van de eis van een redelijke vergoeding dient te worden gezocht in de bijzondere vorm van profiteren van andermans prestaties (parasiteren) die hier aan de orde is. Vergelijkingen met uit de jurisprudentie bekende gevallen gaan slechts ten dele op. De in dit geding bedoelde handelwijze van Holland Nautic kenmerkt zich door de
gelijktijdigheidvan de prestaties van Decca c.s. (het uitzenden door de zendstations) enerzijds en het gebruiken van de ontvangers (het ontvangen en verwerken van de signalen) anderzijds. Juist door die gelijktijdheid acht ik het beeld van hem die oogst zonder te hebben gezaaid, minder geslaagd. Holland Nautic handelt als degene (A) die kaartjes verkoopt voor een trein die een ander (B) exploiteert. Ander beeld: A verkoopt sleutels die passen op de sloten van bagagekluizen, of douchecellen, e.d., die bij B in exploitatie zijn. In deze gevallen impliceert het gebruiken (door de consument C) van kaartjes of sleutel het gebruik maken van door B verstrekte voorzieningen. Aan B komt dan een redelijke vergoeding toe van de kant van (zijn bedrijfsmatige concurrent) A. Aan de argumentatieve waarde van deze voorbeelden doet niet af dat radiosignalen "onstoffelijk" zijn.
Over het recht op een redelijke vergoeding bij bepaalde vormen van mededinging: conclusies OM voor HR 30 oktober 1981, NJ 1982, 435, p. 1493 en 1497 sub h, en HR 25 mei 1984, NJ 1984, 697, p. 2431 sub 6; alsmede de Commissie in de Coditel-zaak, HvJ EG 18 maart 1980, Jur. 1980-1, p. 881.
toewijzen.
vrijheid van ontvangst van radiosignalenniet af. Het gaat er in deze zaak niet om of de DNS-radiosignalen in de aether al of niet vrijelijk en kosteloos door iedereen mogen worden opgevangen, maar of daartoe met commerciële doeleinden en in concurrentie met de exploitant van (een deel van) de zendstations apparatuur in de handel gebracht mag worden, en dat is - zoals de Amerikaanse rechter in de zaak International News Service v. Associated Press, 248 US 215 (1918) (vermeld door de raadsman van Decca c.s. , pleitnota dd. 28 februari 1986 p. 15- 16; zie "Callmann Unfair Competition, Trademarks and Monopolies", Revised Volume 2, par. 15.02) - "a very different matter".
Vergl. de in cassatie niet bestreden r.o. 10 van 's hofs arrest.
Onderdeel 1van het
principalemiddel - dat in zijn "parafraserende" inleiding uitgaat van een onvolledige beschrijving van Holland Nautic's handelwijze en in zoverre feitelijke grondslag in het bestreden arrest mist - stuit af op het voren betoogde.
onderdeel 2. Daar komt, wat betreft de onder a-e vermelde omstandigheden, het volgende bij.
Onderdeel 3loopt, zoals uit het vorenstaande voortvloeit, vast op de omstandigheid dat in een geval als het onderhavige buiten de sfeer van het octrooirecht
duurzamebescherming aan art. 1401 BW Pro kan worden ontleend. Die bescherming kan blijven bestaan ook nadat de termijnen die voor octrooirechten zijn of - veronderstellenderwijze - hadden kunnen zijn verleend, reeds zijn verstreken. De duur van de 1401-bescherming hangt geheel of grotendeels af van de vraag hoe lang een redelijke vergoeding verschuldigd is, en die vergoeding blijft in beginsel - behoudens kapitalisatie of afkoop, enz. - verschuldigd zolang de gebruikers van de Holland Nautic -ontvangers blijven profiteren van de exploitatie van de zendstation door Decca c.s. , anders gezegd: zolang die gebruikers blijven meerijden in de Decca -trein.
Onderdeel 4kan, naar mijn mening, evenmin succes hebben, Nu, als gezegd, in dit geding uitgangspunt moet zijn dat Holland Nautic niet bereid is zich de belangen van Decca c.s. op enige wijze, bijv. door het betalen of aanbieden van een redelijke vergoeding, aan te trekken terwijl Decca c.s. daarentegen in principe wel bereid is tot het sluiten van aan licentie-overeenkomst met Holland Nautic (zie pleitnota in hoger beroep mr. Mutsaerts, p. 11-12), komt de verbodsactie van Decca c.s. in beginsel voor toewijzing in aanmerking. De handelwijze van Holland Nautic is onrechtmatig; voor toepassing van art. 6.3.1.5 b NBW ontbreekt de noodzakelijke grondslag. Vergl. HR 19 december 1952, NJ 1953, 642. Op Holland Nautic rust niet in de eerste plaats aan rechtsplicht tot het betalen van een redelijke vergoeding, maar de plicht zich te onthouden van onrechtmatige daden. Anders dan van de zijde van Holland Nautic is betoogd is de onrechtmatigheid niet gelegen in het
enkeleniet-betalen van aan vergoeding, maar in het "binnendringen" enz., als omschreven in r.o. 9 van 's hofs arrest, "zonder redelijke vergoeding". Zie Jansen in de losbladige "Onrechtmatige daad" I nrs. 229 e.v. Op die grond staat aan Decca c.s. een verbodsactie ter beschikking voor een gespecificeerde belangenafweging bestond in hoger beroep geen aanleiding, nu partijen hun debat niet ook daarover hadden uitgestrekt. Overigens is uit r.o. 11 af te leiden dat het hof heeft geoordeeld dat Holland Nautic door toewijzing van de vorderingen onder 1 en 5
niet"onevenredig" is geschaad. Dat zo zijnde heeft het hof zich wèl in een belangenafweging begeven, ook al treedt het arrest daarover niet in bijzonderheden.
Bij gebreke van debat over de aard en grootte van de redelijke vergoeding en de daarbij te hanteren uitgangspunten en normen, enz. behoefde het hof in het kader van dit kort geding op die punten niet nader in te gaan.
De verwijzing naar de wèl (met anderen, o.a. Philips) gesloten licentieovereenkomsten, waarmee de mogelijkheid van een akkoord over zo'n vergoeding is bewezen, is in dit verband voldoende.
Onderdeel 5stuit af op het bovenstaande. Wat
onderdeel 6betreft, ik zie in het bestreden arrest geen motiveringsgebreken.
principalecassatieberoep, naar mijn mening, niet kan slagen, blijft het
voorwaardelijkingestelde
incidenteleberoep buiten behandeling.
principaleberoep, met verwijzing van eiseres ( Holland Nautic ) in de kosten.