Conclusie
aen art. 5
bHnw en het beroep op nawerking van de onrechtmatigheid van de niet meer gevoerde handelsnaam " [B] "). In de onderdelen 3, 4, 5 en 6 gaat het om de kern van de zaak, te weten (ik druk mij nu maar wat kort uit) de eventuele verwarringstichtende gelijkenis van de beide handelsnamen. Onderdeel 4 is ingetrokken en behoeft dus niet te worden behandeld. Tenslotte betreffen de onderdelen 7 en 8 de (ten overvloede) gegeven overwegingen in r.o. 5 van de bestreden beschikking van de rechtbank.
onderdelen 3, 5 en 6.
In het bijzonder betoogt het middelonderdeel dat onjuist althans onbegrijpelijk is dat de rechtbank uit door [verweerster] in het geding gebrachte foto's van bedrijfsgebouwen in het rayon van haar vertegenwoordiger te [vestigingsplaats] aan of nabij welke gebouwen borden waren bevestigd met daarop een (handels)naam waarin het woord" bouwcentmu " voorkwam terwijl die gebouwen op geen enkele manier gelieerd waren aan Bouwcentrum, heeft afgeleid dat dit woord behoort tot de Nederlandse taalschat, niettegenstaande de omstandigheid dat het niet voorkomt in Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal en in het door Bouwcentrum genoemde Retrograde woordenboek van de Nederlandse taal.
- in het Nederlands heeft zich een ontwikkeling voorgedaan in die zin dat het gebruik is geworden om het woord "centrum" te combineren met voorvoegsels waardoor nieuwe woorden ontstonden, zoals "tuincentrum", "zakencentrum", "winkelcentrum" etc.
- "bouwcentrum" komt weliswaar niet in de Grote Van Dale voor, maar het blijkt wel uit overgelegde foto's (de hierboven door mij genoemde) dat dit woord algemeen gebruikelijk is geworden en algemeen gebezigd in de Nederlandse taal.
instituut, ook al verkoopt zij ook producten, te weten brochures en boeken aangaande bouw (zie repliek in eerste aanleg, p. 11, 3e alinea). In de handelsnaam van [verweerster] wordt "bouwcentrum" gebruikt in eerstgenoemde betekenis. Verder moet ik opmerken dat woordenboeken, hoe uitgebreid ook en hoezeer kenbronnen van in een taal bestaande woorden en begrippen, nooit volledig zijn, met dien verstande dat woorden die daarin ontbreken wel degelijk kunnen behoren tot de Nederlandse taal. Ik moge ter illustratie verwijzen naar wat wordt gezegd in de inleiding in het Groot woordenboek der Nederlandse taal van Van Dale, 11e druk, 1984, p. XIII e.v
4.8. Wat nu het woord "bouwcentrum" in de door de rechtbank daaraan kennelijk gehechte betekenis betreft, komt mij gegeven wat ik onder 4.7 heb opgemerkt, de door de rechtbank gebezigde argumentatie niet onbegrijpelijk voor. Wellicht drukt de rechtbank zich in het licht van het voorhanden zijnde "bewijs"materiaal wat sterk uit als zij spreekt van "algemeen gebruikelijk" en "algemeen … gebezigd", maar dat dit woord in deze betekenis in het Nederlands voorkomt kon zij op grond van het daarvoor beschikbare materiaal oordelen. Dit feitelijk oordeel kan in cassatie niet verder op zijn juistheid worden getoetst, zodat ik voorbij ga aan de verschillende argumenten die zijdens Bouwcentrum tegen de juistheid van dit oordeel werden aangedragen.
Middelonderdeel 5richt zich tegen met name het oordeel van de rechtbank dat de bescherming van de handelsnaam van Bouwcentrum niet zover gaat dat deze
"het gebruik van het thans tot de Nederlandse taalschat behorende woord "bouwcentrum" kan monopoliseren in dier voege, dat het aan andere ondernemingen verboden zou zijn op enigerlei wijze het woord "bouwcentrum" in hun handelsnaam te voeren".
"in casu van zodanig gevaar voor verwarring geen sprake (is), daar het kenmerkend bestandsdeel in de handelsnaam " [A] " – mede gelet op de hiervoor geschetste taalontwikkeling in Nederland – het woord " [verweerster] " is."
middelonderdeel 1toe. Dit klaagt erover dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan de stelling van Bouwcentrum dat [verweerster] met haar handelsnaam ook de artt. 5
aen 5
bHnw. schendt.
aen 5
bHnw het onderzoek voortgezet, nadat zij tot de conclusie was gekomen dat [verweerster] in elk geval niet de in art 5 Hnw Pro gegeven norm had overtreden. De vraag is waarom de rechtbank zulks heeft nagelaten.
aen 5
bHnw tegen het gebruik door [verweerster] van haar handelsnaam te verzetten. Sla ik vervolgens de repliek in de eerste aanleg op dan lees ik op pp. 10-11 dat het publiek zal kunnen menen dat [verweerster] op enigerlei wijze met Bouwcentrum is gelieerd of onder haar auspiciën werkt dan wel door Bouwcentrum goedgekeurde producten verkoopt. Voorts staat in punt 15 ten aanzien van het beroep op merkbescherming:
bHnw:
aHnw (merkbescherming) – zie hierover Boekman, a.w., p. 108 e.v.; Drucker-Bodenhausen-Wichters Hoeth, p. 141; Van Nieuwenhoven Helbach, 1983, p. 445 e.v. – heeft gesteld dan moet ik vaststellen dat niet gezegd kan worden dat Bouwcentrum heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van met name de eis van art.
5a Hnw dat verwarring omtrent de
herkomst van de warente duchten moet zijn.
Die waren zijn de waren ter onderscheiding van de herkomst waarvan het merk wordt gevoerd, i.c. dus de waren van Bouwcentrum . Ik merk bovendien op dat het begrip "verwatering" (zie hierboven m.b.t. het handelsnaamrecht Boekman, a.w. pp. 97-98; Drucker-Bodenhausen-Wichters Hoeth, p. 143; Onrechtmatige Daad VI (Martens), nr. 126.2, p. VI-140a) geen plaats heeft gevonden in art. 5
aHnw, maar gebezigd wordt in verband met een op art 1401 BW Pro gebaseerde actie tegen een onrechtmatig gevoerde handelsnaam, behoudens uiteraard het kader van art. 13 A BMW. Zie hieromtrent Onrechtmatige Daad VI (Martens) nr. 128.8 p. VI-154c met verdere literatuur en rechtspraak. Op het een noch het ander heeft Bouwcentrum haar vordering in dit geding gebaseerd, wat zij trouwens ook niet had kunnen doen in deze verzoekschriftprocedure.
aHnw.
bHnw moet in wezen hetzelfde worden gezegd. Wat bouwcentrum in haar memorie van antwoord aan feiten stelt is zo minimaal dat haar beroep op misleiding in feite niets anders was dan het beroep op verwarringsgevaar. Kennelijk heeft de rechtbank dat ook zo opgevat, zodat zij met beantwoording van de vraag of verwarringsgevaar aanwezig was impliciet heeft beslist dat geen misleiding van het publiek, als bedoeld in art. 5
bHnw, aangenomen moest worden zodat zij daarop niet meer afzonderlijk behoefte in te gaan. Zie over de betekenis van art. 5
bHnw naast art 5, Boekman, a.w., pp. 52-53 en pp. 56-57, Drucker-Bodenhausen-Wichters Hoeth, pp. 140-141.
Middelonderdeel 2strekt ten betoge dat de rechtbank heeft verzuimd in te gaan op de essentiële stelling van Bouwcentrum dat het onrechtmatig gebruik door [verweerster] van de handelsnaam " [B] " nawerkt in dier voege dat de handelsnaam [A] van die onrechtmatige handelsnaam te weinig afstand neemt en het verwarringsgevaar bestendigt.
middelonderdelen 7 en 8kunnen gelet op het voorgaande in mijn opvatting buiten beschouwing blijven nu zij zich richten tegen door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen en de beschikking reeds wordt gedragen door de overwegingen die de eerdere middelonderdelen m.i. tevergeefs hebben aangevallen.
onderdeel 7reeds moet stranden omdat het zich richt tegen een feitelijk, naar mijn smaak niet onbegrijpelijk oordeel van de rechtbank dat in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst.
Onderdeel 8keert zich tegen het onderscheid dat de rechtbank maakt tussen het publiek dat bestaat uit de klanten van [verweerster] en het publiek dat zich wendt tot Bouwcentrum.
"Voorts acht de rechtbank onjuist het oordeel van de Kantonrechter in zijn beschikking a quo, dat de kans bestaat, dat het publiek de indruk krijgt, als de naam Bouwcentrum in een andere combinatie voorkomt zoals in de handelsnaam " [A] ", dat beide ondernemingen van partijen aan elkaar gelieerd zijn en dat de indruk kan ontstaan, dat de door [verweerster] te koop aangeboden materialen door Stichting Bouwcentrum zijn goedgekeurd. Zoals eerder overwogen, vormen de klanten van [verweerster] , die slechts agrarische producten verhandelt, een ander "publiek" dan de mensen, die zich wenden tot Stichting Bouwcentrum; "Stichting Bouwcentrum" heeft immers sedert lange tijd een vaste en duidelijk omlijnde plaats in de bouwwereld en bij het zich daarop oriënterende publiek als voorlichtingsinstituut. Ook de derde grief van [verweerster] treft dus doel."
bij de Hoge Raad der Nederlanden,